foto Merlijn Doomernik

Interview

‘Mijn moeder strafte me voor iets wat ze alleen maar kon weten uit mijn dagboek’

Charlotte van den Broeck Het boek van Charlotte van den Broeck – over dertien architecten die zelfmoord pleegden – is een groot succes. „Ik werk als een masochist.”

‘Het is niet normaal dat een jonge vrouw zo geobsedeerd is door de dood. Je moet geen boeken verzinnen, je moet naar de psychiater’, foetert Giulia, de Napolitaanse gastvrouw van de Vlaamse dichter Charlotte van den Broeck als zij Giulia meetroont naar Villa Ebe. Villa Ebe, op een heuvel in Napels, is een van de dertien bouwwerken in Waagstukken, de veelkantige, meeslepende essaybundel van Van den Broeck over architecten die zelfmoord pleegden na een mislukt project, of over wie dat ten minste wordt gefluisterd.

Architect Lamont Young bouwde Villa Ebe voor zijn kindbruid Ebe Cazzani. Young had grootse plannen voor het negentiende-eeuwse Napels; een metro, botanische tuinen, een mondaine boulevard, maar zijn tijdgenoten versleten die ontwerpen voor utopisch, en Young, met zijn gefnuikte ambities, schoot zichzelf in de torenkamer van zijn villa door de kop. Hij was wel al achtenzeventig, een feit dat Charlotte Van den Broeck in haar essay als volgt becommentarieert: ‘Zelfdoding op je achtenzeventigste, is dat een afwijzing van het leven of van de dood?’

Nu is Van den Broeck in Amsterdam om voor te dragen uit de Auschwitz-herinneringen van Arnon Grunbergs moeder, op zijn verzoek. Van den Broeck en Grunberg raakten bevriend toen zij in 2016 samen de Frankfurter Buchmesse openden namens Vlaanderen en Nederland. Van den Broeck (1991) was een jaar eerder gedebuteerd met haar indrukwekkende dichtbundel Kameleon (2015), kort daarna verscheen Nachtroer (2017).

Rottende boomstronk

Het gesprek vindt grotendeels plaats op de derde verdieping van het Rijksmuseum, voor het werk Toevalsobjectivering (1967) van beeldend kunstenaar herman de vries (1931) (voor wie, zo verklaart het bordje naast het werk, ‘de gelijkwaardigheid van alle verschijnselen in de natuur’ het belangrijkste thema is, en die daarom ook zijn eigen naam in kleine letters schrijft). Het werk is een soort langgerekte maquette, vijfenveertig centimeter hoog, bijna zesenhalve meter lang, geheel wit, bezaaid met grotere en kleinere balkjes en kubussen, die zich naar de rechterkant toe verdichten. Het zou de verspreiding van plantensporen voorstellen.

„Ik wilde dit werk zien”, zegt Van den Broeck, „omdat ik Herman de Vries een enorm fascinerende figuur vind. Dit noemt hij dus Toevalsobjectivering – toeval dat hij probeert hier uit te drukken. Maar het lijkt wel alsof hij zijn hele oeuvre overlaat aan het toeval. Hij gaat bijvoorbeeld wandelen in een Duits bos, vindt daar een rottende boomstronk en beslist: nee, deze is nog niet rot genoeg. Een paar dagen later gaat hij terug en besluit dat de stronk perfect gerot is; hij neemt hem mee naar huis, hij voegt er niets aan toe, het is een natuurlijk proces, de boomstronk is perfect zoals die is. De Vries noemt dat het ‘poëtisch ogenblik’. Dat staat heel ver af van mijn eigen proces, waarin niets toevallig is, dat juist vaak heel krampachtig is, soms op het dwangmatige af.”

Schrijvers, constateert Van den Broeck in haar essay over de Wiener Staatsoper en bouwmeesters Eduard van der Nüll en en August Sicard von Sicardsburg, laten niets aan het toeval over, willen juist ‘een ontmoeting uit de toevalligheid tillen’. Als geliefden, die ‘een kus de spanningsopbouw van onontkoombaarheid’ geven.

Ultieme liefdesverhaal

Bij Toevalsobjectivering: „Als je een gebeurtenis in een narratief giet is de toevalligheid weg. Op dat moment ga je rangschikken, manipuleren, vormgeven, betekenis geven. Het perfecte liefdesverhaal speelt zich natuurlijk nooit in de werkelijkheid af, en alleen in de films en de liedjes en de boeken die erover zijn geschreven. Hoewel, uiteindelijk heb ik het ultieme liefdesverhaal gevonden in het verhaal van die twee mannen in Wenen.”

De twee architecten Van der Nüll en Sicard – studiegenoten, tegenpolen, en uiteindelijk boezemvrienden en zakenpartners – kregen in de tweede helft van de negentiende eeuw de prestigieuze opdracht om de Weense opera te bouwen in de stad die op keizerlijk gezag een metropool moest worden. Zodra het ontwerp uit de steigers was maakten de tabloids het met de grond gelijk. Van der Nüll beroofde zichzelf van het leven, Sicard overleed tien weken later.

„Het is wel ironisch”, erkent Van den Broeck aarzelend, „dat al die mensen zichzelf in diepste wanhoop van het leven beroofd hebben, vanwege een gevoel van mislukking, en ik schrijf dat dan op en… het wordt het tegenovergestelde van een mislukking. Ik vraag me soms af wat de figuren uit mijn boek zouden denken als ze eeuwen later terug op de wereld zouden zijn en dit zouden lezen, wat ze van mij zouden denken. Ik hoop dat mijn boek toch gezien kan worden als een kleine verzetspoging tegen de ultieme vergetelheid.”

Zelf schrijft ze in Waagstukken: ‘De eeuwigheid deert me niet – om eerlijk te zijn doet het heden, dat jubelend en genadeloos kan zijn, dat ook steeds minder.’ Als ik het citeer zegt Van den Broeck: „Inderdaad, want ik reageer altijd heel dissociatief op bevestiging of succes. Ik kan dat maar moeilijk aan mezelf als persoon koppelen. Ook nu denk ik, de lof is voor dat boek, het heeft niets met mij te maken.” En kritiek? „Ja, kritiek zou natuurlijk wel aan mij te wijten zijn.”

Lees ook: de recensie van ‘Waagstukken’

Wat haar dan wel deert: „Misschien een soort zuivere intentie, dat mijn vrienden de manier waarop ik over mezelf heb geschreven oprecht vinden. Dat klinkt natuurlijk ook best hoogdravend, ‘een boek met een zuivere intentie’.”

Charlotte Van den Broeck groeide op in Turnhout. „Ik was een Matilda-achtige figuur, altijd veel gelezen”, in een omgeving waar dat niet helemaal normaal werd gevonden. Het eerste hoofdstuk in haar boek gaat over het zwembad van Turnhout, waar een meisje uit een naburig dorp een paardenstaart en een stuk hoofdhuid verloor in het afzuigsysteem van het peuterbad, en wat na het ene na het andere mankement voorgoed gesloten bleef. Van de architect geen spoor.

Moerasgrond

Turnhout ligt in de Kempen – moerasgrond, benadrukt Van den Broeck. „Zelfs etymologisch betekent mijn naam moeras, het broek. Ik heb altijd het gevoel gehad dat ik wel weg kon, maar onherroepelijk werd teruggetrokken. Toen ik achttien was ging ik in Gent studeren omdat dat de universiteit is die hemelsbreed het verste van Turnhout ligt. Maar ook toen moest ik elk weekend terug om familiale redenen.”

In Waagstukken schrijft ze dat de enige reis ooit van het gezin naar Oostende ging, waar het regende. En dat de enige regel van haar ouders was: ‘Je mag alles, behalve liegen.’ Een wet waar natuurlijk ook haar ouders zich niet aan konden houden. „Liegen vind ik nog steeds een van de meest kwetsende dingen. Ik heb als puber wel dagboeken bijgehouden. Op een gegeven moment heeft mijn moeder me gestraft voor iets wat ze alleen maar kon weten uit het dagboek, en ze bleef volhouden dat ze het niet gelezen had. Terwijl ik… schrijven daarom nog altijd als iets onveiligs zie. Het was niet zo dramatisch trouwens, ik had een joint gerookt. Maar sindsdien heb ik geen dagboeken meer geschreven.”

Wat waarheid, en die zuivere intentie, precies behelst voor Van den Broeck komt niet eenduidig naar voren in haar werk. Uit haar essays spreekt bravoure, een bewijsdrang waarvan de auteur zichzelf hyperbewust lijkt, vooral omdat die de architecten in haar boek uiteindelijk fataal werd. Of volgens de overlevering, tenminste. „De architect die van die kromme kerktoren in Frankrijk sprong, ja, daar zal wel iets van een waarheidsprincipe in zitten, want het wordt al vijf eeuwen zo verteld. Als het niet waar was zouden mensen ook niet de moeite nemen om het verder te vertellen. Het is niet per se een leugen omdat het niet echt gebeurd is, want het wordt als wáár verteld.

„Herman de Vries heeft het over ‘veritas existentiae’, ‘de waarheid van het bestaan’ – en wat er is, is ook veranderlijk natuurlijk, zoals die boomstam, en aan toeval onderhevig. In die uitdrukking komt de spanning tot uitdrukking tussen een wereldbeeld waarin er iets fundamenteel waar moet zijn, en de fenomenologische opvatting, die benadrukt dat het ook altijd een veranderlijk lichaam is dat waarneemt. Ik denk dat die spanning heel centraal staat in mijn leven. Ik voel me vaak een zwevend hoofd. Uiteindelijk ben ik ook een lichaam in de wereld, maar ik heb er weinig connectie mee. Honger of vermoeidheid voel ik pas heel laat. Dus ik denk dat ik tussen die twee een soort brug moet leren kennen.”

Uitputting

Die kloof uit zich ook in Van den Broecks werkwijze: „Mijn laatste hoofdstukken schreef ik in Oostende, in het appartement van een vriendin aan de Zeedijk. Ik keek er letterlijk uit over de zee van L.S. Lowry, die ook op het omslag staat. En ja, dan sta ik om vijf uur ’s ochtends op, en werk tot één uur ’s nachts door. Die uitputting is dan iets wat me voldoening geeft. Als ik vlotjes een paar uur per dag zou schrijven, een wandeling zou maken, eten en slapen, dan zou ik het gevoel hebben dat ik er niet alles voor gedaan zou hebben. Het is ook wel wat masochistisch hè, want niemand verlangt dat van mij, dat niet-slapen, het niet-eten. Maar het is hoe mijn lichaam reageert op die stress en de opwinding van het schrijven.”

Eerder, op weg naar de derde verdieping, in de eregalerij, vertelde Van den Broeck dat haar tatoeëerder zich voor zijn ontwerpen nadrukkelijk laat inspireren door het clair-obscur van de Hollandse meesters. Die zet binnenkort een eik en een pekden aan weerszijden van haar biceps. Het zijn bomen met tegengestelde overlevingstactieken; de eik, beschrijft Van den Broeck in een essay over de Pine Valley Golf Course in New Jersey, is afhankelijk van fotosynthese, van het licht dus; de pekden natuurlijk ook, maar die gedijt eveneens bij destructie, want bij bosbrand openen de kegelvormige vruchten zich, en botten knoesten onder de stam opnieuw uit. ‘De pekden moet verwoest worden om weer te leven’, schrijft ze.

„Een recensent schreef na mijn eerste bundel dat ik een romantisch beeld van het kunstenaarschap moet hebben. Ik voelde me toen heel erg betrapt, ik dacht: oh nee, dat is zó achterhaald, dat idee van het genie, en dat vond ik toch zelf tijdens mijn studie ook verschrikkelijk stom. En nu ik dit boek heb geschreven kom ik daar toch weer op uit, op het compromisloze kunstenaarschap, en nu vind ik het eigenlijk heel mooi. Het romantische gaat over woekering, over schoonheid, en over het gevaar daarvan. Uiteindelijk gaat dat ook over mezelf. Als iemand vraagt: stel dat je nu zou stoppen met schrijven, wie ben je dan nog? Het is wat dramatisch geformuleerd, en een ongezond antwoord, maar ik zou zeggen: ‘leegte’.”

Praten over zelfdoding kan via hulplijn 113 Zelfmoordpreventie: 0900-0113 of www.113.nl.