Verouderde banketbakkershumor

Ewoud Sanders

Woordhoek

Nu het woord moorkop in de ban is gedaan, wordt het tijd de geschiedenis ervan beter in kaart te brengen. Vorige week was hier en daar al iets te horen en te lezen over de herkomst van dit gebakje. Als bron werd een leuk naslagwerk aangehaald dat eind vorig jaar ook in deze rubriek is gesignaleerd: het Gebakwoordenboek van René Dings.

Om te beginnen verwijst Dings de volgende ontstaansgeschiedenis naar het rijk der fabelen. „Er was eens een patriciërsfamilie in Den Bosch in de zeventiende eeuw. Hun persoonlijke patissier verraste het gezelschap bij een feest met een bijzonder gebakje dat omhuld was met chocolade. Een van de gasten riep daarop uit dat het leek op het gezicht van een Moor: haha, een moorkop!”

Lees ook: De Moorkop heeft zijn werk gedaan

Vervolgens noemt hij een aantal oude betekenissen van het woord moor, dat werd gebruikt voor ‘zwarte’ en ‘moslim uit Noord-Afrika’. Hij besluit met het vermoeden dat de moorkop, een gebaksnaam die hij in 1937 voor het eerst aantrof, aan het eind van de negentiende eeuw is ontstaan.

Dat vermoeden kan ik hier bevestigen, want volgens mij zit het zo. We kennen het woord moorkop sinds het begin van de achttiende eeuw. Het werd vooral gebruikt voor een zwart paard. Tussen 1730 en circa 1920 kom je in kranten duizenden advertenties tegen waarin sprake is van moorkopmerries, Ardenner Moor-Koppen, Moorkopse hengsten, et cetera.

Daarnaast werd moorkop gebruikt voor ‘zwart menschenhoofd, meestal met een hoofdband omwonden’, aldus een oude definitie. Denk aan de gaper: de zwarte of donkerbruine kop met tulband die vroeger als uithangteken boven een apotheek of drogisterij hing. Beeldjes met dergelijke koppen waren populair in de negentiende eeuw.

Dat het woord moorkop niet altijd vriendelijk was bedoeld, blijkt onder meer uit dit spotdichtje, uit 1896: „Al poetst een moor zich nog zoo op, / Hij is en blijft een... moorekop!

De chocoladebol die wij tot voor kort moorkop noemden, werd waarschijnlijk aan het eind van de negentiende eeuw bedacht in Frankrijk. Daar heette hij tête de nègre. De Duitsers brachten dit gebakje omstreeks 1892 op de markt onder de naam Mohrenkopf.

Een Nederlandse journalist prees deze zoetigheid in 1897 aan in een reisreportage over Hannover, waar hij het andere gebak niet te pruimen vond. „Het eenige wat een Hollander er kan smaken, zijn de ‘Moorenköpfe’, een soort van roomtaartjes, met chocolade van boven geglaceerd.”

Vanaf 1907 duiken moorkoppen op in advertenties van Nederlandse banketbakkers. De moorkop werd soms als een volks gebakje beschouwd. „Nu het weer zoo kil is geworden”, observeerde een Rotterdamse krant in 1909, „is het mondaine gedoe weggevaagd en zitten de kleurrijke dames haar ‘tea en moorkopje’ te savoureeren”.

De moorkop werd ook negerzoen genoemd. Alleen al daaruit blijkt dat de donkerbruine chocoladebol wel degelijk associaties opriep met „het gezicht van een moor”. Op dat punt klopt het door René Dings afgewezen fabeltje dus wel. Je ziet die associatie ook terug in de buitenlandse namen: naast Mohrenkopf wordt de chocoladebol in het Duits Othello genoemd (naar de moor van Shakespeare), in het Deens negerbolle en in het Vlaams negerinnentet, waarbij tet ‘tiet’ of ‘borst’ betekent.

We zien hier verouderde banketbakkershumor, geglaceerd met een laagje racisme dat er indertijd bij iedereen in ging als zoete koek.

schrijft elke week over taal. Twitter: @ewoudsanders.