Opinie

Slecht grappig mens

Ellen Deckwitz

‘O shit”, zegt mijn zus en duwt me bij de slager naar binnen. Terwijl we ons verschuilen achter een poster met een lachende koe loopt er een oude vriend van haar voorbij. „Jeetje”, zeg ik, „ik heb hem al jaren niet gezien”.

„Ik ook niet, en dat wil ik graag zo houden. Hij kraakte me alleen maar af.”

„Waarom waren jullie dan bevriend?”

„Hij is grappig”, snauwt ze.

Oscar Wilde schreef eens dat er twee soorten mensen bestaan: slechte en saaie. Ook ik heb weleens verkeerde vrienden gehad: chronische bietsers, types die alleen belden als er verhuisd moest worden, maar dat vergaf je ze want wat kon je ermee lachen. Er is iets verslavends aan hen die zowel geestig als kwaadaardig zijn. In mijn studententijd had ik een vriend die me zo aan het lachen kon maken dat ik weleens een klaplong vreesde. Met de jaren kroop er bij hem een venijn in, of althans, dat venijn was er altijd al wel maar ik had eroverheen geschaterd. Ik vergaf hem alles, omdat hij zijn persoonlijkheid wist te compenseren met zijn gevatheid. Tot op zekere hoogte.

Want net zoals je in een liefdesrelatie steeds meer de ongecensureerde versie van jezelf wordt, liet hij zich steeds meer gaan. Hij werd boos als ik de deur niet voor hem openhield. Hem niet bedankte als hij me terugbelde. Geagiteerd als ik tijdens een verjaardag niet de hele tijd aandacht voor hem had, maar ook belangstelling toonde voor anderen.

Er bestaat geen vastomlijnde etiquette voor hoe je een vriendschap verbreekt, en tussen uitzitten en doodbloeden in zijn er nog talloze uren waarin je de ene na de andere deuk oploopt, hoe assertief en begaafd je jezelf ook vindt. Zodat er ten slotte, zelfs als je zo’n sterke persoonlijkheid hebt als mijn zus, niets anders opzit dan onder te duiken in een slagerij.

Die vroegere vriend van mij was trouwens een grootmeester van de hyperbool. Als hij je op een zwakte betrapte, molk hij dat uit tot je het in je broek deed van het lachen. Op een dag grapte hij dat ik best grote tanden had. Ik heb helemaal geen grote tanden, mijn gebit is na jaren beugelen, flossen en fluortabletten het hoogtepunt van mijn lichaam, maar ik schrok van zijn opmerking, waardoor hij een kans zag. De ene na de andere grap rolde eruit. Dat hij op basis van mijn snijtanden verwachtte dat ik van de walrus afstamde. Dat mijn tandarts voor het vullen van gaatjes heipalen moest inzetten. Dat je van mijn voortanden genoeg pianotoetsen kon snijden om minstens zes piano’s van een volledig klavier te voorzien.

En ik maar blijven. En ik maar lachen. Ik ging helemaal stuk.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.