Recensie

Recensie Beeldende kunst

Breitner vs Israels: schilderen met de rivaliteit van een bokswedstrijd (●●●●)

Tentoonstelling Ze waren vrienden, maar ook artistieke rivalen. Het Kunstmuseum in Den Haag toont nu hoe schilders George Hendrik Breitner en Isaac Israels als jonge honden fel met elkaar concurreerden.

George Hendrik Breitner, Drie schoolmeisjes op de brug bij de Westermarkt, ca. 1895, olieverf op paneel, 24,5 x 32,5 cm, particuliere collectie.
George Hendrik Breitner, Drie schoolmeisjes op de brug bij de Westermarkt, ca. 1895, olieverf op paneel, 24,5 x 32,5 cm, particuliere collectie.

Het was een lenteavond ergens eind negentiende eeuw, toen de schilders Isaac Israels (1865-1934) en George Breitner (1857-1923) elkaar weer eens tegen het lijf liepen. Ze begroetten elkaar hartelijk. „Heb je mijn bandjes gezien?”, vroeg Israels. Dat waren de door hem ontworpen boekomslagen voor een dichtbundel van Frans Erens, over het Amsterdamse uitgaansleven waar ze allen zo graag verkeerden – bordelen, dranklokalen, illegale danstenten in donkere kelders. Trots wees hij Breitner op de volgens hem geslaagde beweging in de tekeningen, waarop deze de dodelijke woorden sprak: „’t Mouvement? Dat ze dansen? Ik vind ze helemaal niet dansen.”

Au. Wat vals. Nu, op de tentoonstelling Breitner vs Israels in het Kunstmuseum Den Haag, kan de bezoeker zelf kijken: daar hangen Israels betreffende tekeningen (met mouvement hoor), tussen tal van zaalteksten die de discussies van toen aanhalen. Met een tentoonstellingsopzet als van een bokswedstrijd zet het museum de rivaliteit tussen die twee nogal vet aan. Dat is natuurlijk een pr-truc, maar intussen bestond die rivaliteit wel degelijk.

Het waren dan ook roerige tijden voor jonge kunstenaars. De vroege avant-gardes kwamen op. De Haagse School, bekend van de impressionistische strandscènes in grijstinten, was nog in zwang toen Israels en Breitner daar zelf een nieuwe stadse draai aan gingen geven, eerst vanuit Den Haag en vooral daarna in Amsterdam. Allebei ambitieus en succesvol, werden ze voortdurend met elkaar vergeleken – door pers, door vrienden, en… door henzelf.

George Hendrik Breitner, Meisje in rode kimono (Geesje Kwak), circa 1893, olieverf op doek, 82 x 53,5 cm, Kunstmuseum Den Haag.

In de tentoonstelling zie je hoe ze gelijk opgingen in hun thematiek – het militaire leven, portretten, het leven op straat. Het begint met Breitners vroege naaktstudies (1877-78), die pijnlijk onbeholpen zijn – terecht was hij jaloers op Israels behendigheid. Die debuteerde als wonderkind in Parijs mede dankzij zijn beroemde vader, schilder Jozef Israëls – van wie hij zich wilde losmaken door het trema op de achternaam te laten vallen. Alsof dat veel helpt.

Breitners juk was een ander, namelijk dat hij niet uit het juiste milieu kwam. Israels daarentegen werd portrettist van de gegoede stand waar hij in verkeerde, waarop Breitner zichzelf ging portretteren en zowaar: nu in het Kunstmuseum zijn die portretten beter. De rondingen van het hoofd, de snelheid in de blik: Breitner toont een dynamiek waar Israels’ portretten week bij afsteken. Wat Israels mee had in virtuositeit (mouvement?) compenseerde Breitner met gedurfde composities. Daarmee zou hij vooral excelleren in zijn schilderijen van meisjes in kimono: de elegantie en tegelijk bravoure van voor- en achtergronden die haaks op elkaar staan, maken deze ijzersterk.

Isaac Israels, Portret van Nanette Enthoven-Enthoven, 1881, olieverf op doek, 64 x 46 cm, particuliere collectie.

Rijtje paardentrams

Beiden zie je zaal na zaal groeien. Dat levert mooie vergelijkingen op. Breitner schilderde in 1890 een rijtje paardentrams in een turneriaanse mist, donkere nevels rond die moderne symbolen. Even mooi is Israels’ gezicht op de Dam uit 1887. Hoog en donker tekenen de gebouwen zich af tegen het kleine strookje avondlucht, een magisch zwarte stad waar lichtjes opvonken op straatniveau – prachtig, al waren de kritieken minder lovend. Erger nog vond Israels het dat hij op een dag in een etalage een doek van Breitner zag dat hij zo fenomenaal vond, dat zijn zelfvertrouwen instortte. Zeven jaar lang durfde hij niet te exposeren. Krabbelde hij op, zonk Breitner weer in. En zo ging het over en weer.

Wat doen mensen zichzelf en elkaar toch aan in het leven, vraag je je af als je deze kunstgeschiedenis ziet en leest. Waarom? Wat levert die concurrentie op? Natuurlijk, het speelt overal waar mensen samenwerken en ook in de kunst is rivaliteit eeuwenoud – zeker vanaf de Renaissance. Toen kwam het idee op van het artistieke genie, een talent (door God gegeven) dat je zo ongeveer verplichtte om je kunstzinnige ego te vieren. Zo’n soort plicht groeide eind negentiende eeuw, omdat de avant-gardisten een eigen weg kozen en alleen op zichzelf konden vertrouwen. De gevestigde orde, kunstkritiek, academies, die kon je negeren – veel te ouderwets. Maar je vakgenoten, die begrepen je wél. Zij herkenden die vernieuwing, de passie in verf.

Dat gold ook voor Breitner en Israels en consorten, en in deze tentoonstelling zie je hun schilderslust toenemen. Ze leerden in losse verfstrepen, voep voep, hele voorstellingen neer te zetten – uiteraard een geoefende nonchalance. Het heeft wel wat weg van het dandyisme van toen: een stijl van ogenschijnlijk nonchalante elegantie, in kleding en gedrag, waar met name Breitner voor viel. Ter vergelijking: een heel andere dandy, Beardsley, ploeterde nachten op tekeningen waarvan hij zei dat ze in een zucht ontstaan waren. Een zucht, hoe geniaal. Quel mouvement. Maar in het Kunstmuseum levert dat een tegenstrijdig beeld op. Want juist als Breitner en Israels die wat onaffe stijl ontwikkelden, ruw, vol persoonlijke emotie geschilderd, werden ze inwisselbaar – zonder titelkaartjes zie je niet langer wat van wie is. Dat wil wat zeggen. Hun eigen paden kiezend, komen ze bij elkaar uit.

Isaac Israels, Ezeltje rijden, ca. 1898-1902, olieverf op doek, 50 x 70 cm, Kunstmuseum Den Haag

Jonge honden

Passie, onbegrepenheid, rivaliteit, het zijn wat van de puzzelstukken om deze jonge honden te begrijpen. Ook leeftijd. De kunstgeschiedenis leert immers dat rivaliteit speelt bij jonge kunstenaars die in ontwikkeling zijn, en elkaar wijzen op hun tekortkomingen: zo kun je leren. Anno nu hoor je dat minder, maar in onze hyperindividuele tijd zijn de -ismen en scholen goeddeels voorbij. Breitner en Israels daarentegen wilden elk zichzelf zijn maar maakten toch samen een school, een gezamenlijke stijl. Dan ben je op elkaar aangewezen.

Totdat het stopte. Ouder en wijzer misschien, gingen ze na de eeuwwisseling hun eigen weg. Daarmee eindigt de tentoonstelling, maar… laat die slotzaal nou de saaiste zijn. Dat komt vooral door Israels, die het soort strandscènes van zijn voorgangers ging schilderen, netjes, saai. Jammer voor ons, maar niet voor hem. Het lijkt erop dat hij op leeftijd goed van het leven genoot, vol zelfvertrouwen. Zo zie je maar. De kunst werd statisch, maar het leven vol mouvement.