Foto Kees van de Veen

Interview

‘Op de vijf kilometer kunnen je benen in de bocht compleet blokkeren’

Rintje Ritsma en Patrick Roest Donderdag rijdt schaatser Patrick Roest de vijf kilometer op de WK afstanden in Salt Lake City, de snelste baan ter wereld.

Het laatste rondje van de ochtendtraining in ijsstadion Thialf klapt Patrick Roest (24) er nog even bovenop. Ferme klappen, diepe zit. Zijn vingertoppen raken na elke slag het ijs net niet. In de binnenbaan rijden andere schaatsers al rustig een rondje uit. Het ijs is even alleen van hem. Na dat rondje komt hij naar de boarding gegleden. De training ging niet zo goed als hij wilde, zegt hij. Zijn benen voelden vermoeid, het ijsgevoel was een beetje verdwenen nadat hij de afgelopen dagen een beetje grieperig was geweest.

Ondertussen staat Rintje Ritsma (49) langs de kant te kijken. Iedereen wil even aandacht van de schaatslegende. Zo vaak is hij niet meer in Heerenveen, vaker zit hij op een crossmotor. Ook een rondje op tijd, dat is belangrijk in zijn leven, zegt hij. „Met motorcross heb ik precies wat ik met schaatsen ook had, dat gevoel. Het maakt niet uit welke motor je hebt, maar hoeveel vermogen je kan overbrengen op je banden, je techniek.” Vergelijkbaar met schaatsen, volgens hem, waar het gaat om hoeveel spierkracht je kan overbrengen op het ijs.

Twee generaties, één afstand: de vijf kilometer. Ritsma knoopte aan het begin van zijn sportleven nog gewone schaatsen onder, Roest zag die alleen in cafés aan het plafond van de gemiddelde schaatsvereniging hangen. De klapschaats was toen hij voor het eerst serieus begon met trainen al geen vernieuwing meer. De rondes werden sneller: Ritsma’s snelste tijd was ruim 16 seconden langzamer dan die van Roest. De afstand bleef gelijk, net als de beleving.

Wat is de vijf kilometer voor afstand?

„Een lastige afstand”, zegt Roest, die dit seizoen nog geen enkele wedstrijd op de vijf kilometer verloor. „Op een snelle baan voelt het bijna als een drie kilometer, maar op een langzame baan moet je heel behouden rijden. Ik benader het meer als een soort verlengde drie kilometer, zoals ik de drie kilometer weer zie als een verlengde 1.500 meter. Als ik onder de 6 minuten en 10 seconden wil rijden, dan moet ik net als op kortere afstanden beginnen met rondjes van 28 seconden. De druk die dat geeft op mijn benen komt heel hard aan. Alsof ze op ontploffen staan, dat doet zoveel pijn.”

Je blaast jezelf gewoon op, zegt Ritsma. „Eigenlijk begint de vijf kilometer pas na drie kilometer. De eerste drie kom je altijd wel door. Als je dan nog goede benen hebt, kan je ’m doortrekken. Heb je klote benen, dan ga je over het randje en verlies je veel tijd. Tegenwoordig kunnen schaatsers doorrijden in hetzelfde tempo. In mijn tijd begonnen we daar net mee. Ik heb ook wel vijf kilometers gereden waarbij we een rondje in 28 seconden deden. Alleen wij konden dat toen niet volhouden en verloren de laatste rondes veel tijd. De atleten van nu, en met name Patrick, zijn echt klaar om dat tempo vast te houden.”

Patrick Roest (links) en Rintje Ritsma op het ijs van Thialf.

Foto Kees van de Veen

Ik heb ook wel eens de fout gemaakt om te snel te starten, vertelt Roest. „Dan kan ik na drie kilometer de snelheid niet meer vasthouden en gaan de rondetijden omhoog. De tijd die ik verlies aan het einde van mijn rit, is vaak veel meer dan de tijd die ik kan winnen aan het begin. Bij een goede race rijd ik de eerste vier rondes lekker in, en daarna ga ik gassen. Tenminste, het voelt als gassen, maar ik ga niet sneller. Ik probeer de tijd dan vlak, ongeveer gelijk te houden. Mijn benen beginnen dan namelijk al te verzuren en pijn te doen.”

Omschrijf die pijn eens.

„Vooral in de bochten voelt het alsof ik tegen een muur sta te trappen die ik niet aan de kant krijg.”

Ritsma moet erom lachen, knikt tegelijkertijd ter herkenning. „Het voelt als een complete blokkade van je benen, als twee stalen balken onder je romp waar je geen controle meer over hebt.”

En dat al na drie kilometer, dan moet je nog zo lang.

Roest: „Je weet waar je aan begint, hè. We hebben het allebei zat keren gedaan.”

Ik teerde altijd op de mooie races tot er weer een volgende mooie rit kwam, vertelt Ritsma. „Dat zijn de races die blijven hangen, dat euforische gevoel. Dat is waarom je het telkens weer doet.” Die pijn hoort er volgens hem bij, daar train je voor. Het gevoel van een overwinning verzacht.

Aan het begin van een vijf kilometer denkt Roest liever niet aan die laatste rondjes. „Dat het weer pijn zal gaan doen.” Tijdens een rit voelt hij of er een goede tijd aankomt; de pijn is dan een stuk minder hevig, zijn lichaam houdt beter stand. „Maar als ik technisch slecht rijd, is mijn lichaam aan het einde ook echt kapot.”

Wat is het verschil in de benadering van de vijf kilometer tussen jullie generaties?

Ritsma: „Dat heeft voornamelijk te maken met een andere manier van trainen, denk ik. Het is meer gepersonaliseerd dan toen ik nog schaatste. Ze trainen nu op hogere snelheden.” Andere schema’s, maar ook beter materiaal, vult Roest aan.

Na enige twijfel maakt Ritsma in 1997 definitief de overstap van de gewone schaats naar de klapschaats. Hij zit dan middenin zijn carrière. Soms, als hij beelden ziet van voor die overgang, gelooft hij haast niet wat hij ziet. „Schaatsten we echt zó? Op gewone schaatsen was de beweging naar voren, op de klapschaats werd het steeds iets breder. Voordat ik die gewoonte er weer uit had op de vijf kilometer, was ik een paar jaar verder. Patricks generatie heeft écht leren schaatsen op de klapschaats.”

Dat begrijpt Roest. „De timing op een klapschaats is heel anders dan op een gewone schaats. Het duurt wel even dat erin te slijpen. Met de klapschaats word je minder snel afgestraft op technische fouten. Als je bijvoorbeeld iets te ver naar achteren beweegt, klapt de schaats gewoon open. Bij een gewone schaats zit je dan met de punt in het ijs en verlies je veel snelheid.”

Dat, zegt Ritsma, en je had bijna geen druk op een gewone schaats. Ik had het gevoel alsof ik bijna in het luchtledige trapte. Met de klapschaats kan je veel meer vermogen per afzet leveren. Dat is de grootste revolutie tussen onze generaties.”

Keek je als kleine Patrick Roest al naar de generatie van Rintje Ritsma?

„Misschien de laatste jaren. Toen ik vroeger op de achterbank met mijn ouders van Lekkerkerk naar Heerenveen reed voor wedstrijden, vroegen mijn ouders altijd als we langs Lemmer kwamen: wie komt daarvandaan? Rintje Ritsma, de Beer van Lemmer, zei ik dan.” Ritsma moet er uitbundig om lachen. „Dat hoor ik heel vaak.”

Rintje, hoe kijk jij naar Patrick?

„Hij is de nieuwe trendsetter van de vijf kilometer. Iedereen kijkt naar hem. Hij rijdt ogenschijnlijk gemakkelijk een tijd onder de 6 minuten en 10 seconden. Dat is voor mij als voormalig topschaatser heel mooi om naar te kijken. Maar Patrick is een ander type schaatser dan ik. Hij heeft het ideale postuur, zeker voor op hooglandbanen als in Salt Lake City waar de WK afstanden worden gereden. Eigenlijk ben ik te groot en te zwaar voor schaatsen. Als atleet woog ik tussen de 93 en 95 kilo. Wat weeg jij?”

„Ik weeg 78 kilo. Door mijn postuur en gewicht kan ik makkelijker door de bochten komen. Als je wat zwaarder bent komt de druk in de bochten op een hooglandbaan nóg harder aan.”

Ritsma: „Er zijn maar een paar schaatsers die zoveel druk en snelheid aankunnen en het vervolgens ook nog vol kunnen houden. Patrick is er daar een van.”

Misschien rijdt hij op de WK afstanden wel een wereldrecord, vijf kilometer onder de 6 minuten.

Roest leeft op. Een magische grens die hij zeker een keer wil breken, maar niet op deze WK. „Ik wil hem veilig en snel rijden, dat mijn benen niet ontploffen. Dan zie ik wel of ik in die laatste rondjes nog tijd kan winnen.” Dat hangt van zijn benen af, zegt Ritsma. „Of die goed zijn, of klote.”

Jullie begrijpen elkaar goed.

Ritsma: „Je merkt dat de beleving niet is veranderd.”

Roest: „Zeker niet. De manier waarop we ons voorbereiden en de pijn die we ervaren bij een vijf kilometer is hetzelfde. Dat zal ook nooit veranderen.”