Minderjarige asielzoekers leren slecht Nederlands door hun vele verhuizingen

Asielprocedure Minderjarige asielzoekers verhuizen vaak en leren de Nederlandse taal daardoor niet goed. Het kabinet wilde juist minder verhuizingen.

Moldavische azielzoekers in asielzoekerscentrum Cranendonck in Budel.
Moldavische azielzoekers in asielzoekerscentrum Cranendonck in Budel. Foto Merlin Daleman

Minderjarige asielzoekers die met hun ouders naar Nederland komen, moeten vanwege de asielprocedure en de lange wachttijden té vaak verhuizen. Daardoor zijn ze slecht in staat goed Nederlands te leren binnen de tijd die daarvoor staat.

Lees ook: Als asielzoeker blijf je verhuizen

Dat zeggen belangenbehartigers van deze groep kinderen, die zich hebben verenigd in de werkgroep ‘Kind in azc’. In een brandbrief aan de Tweede Kamer waarschuwen ze voor de negatieve gevolgen van de vele verhuizingen. De Kamer debatteert donderdag met staatssecretaris Ankie Broekers-Knol (Justitie en Veiligheid, VVD) over onder andere dit onderwerp.

Veelvuldig verhuizen is schadelijk voor kinderen. Door de onrust en instabiliteit „ontwikkelen kinderen hechtingsproblemen, psychische en psychosomatische stoornissen, zoals angst- geheugen- en slaapstoornissen, en is er een gevoel van onveiligheid”, aldus de werkgroep.

In het regeerakkoord van het kabinet-Rutte III staat dat Nederland een „flexibel asielsysteem” nodig heeft. En: „Het aantal verhuisbewegingen wordt door deze integrale opzet tot een minimum beperkt, zeker waar het schoolgaande kinderen betreft, van hen wordt in principe niet verlangd elders binnen Nederland te verhuizen.”

Die belofte heeft de verantwoordelijke staatssecretaris tot dusverre niet waargemaakt. Toezeggingen tot verbetering te komen, leiden volgens Kind in AZC op zijn vroegst in 2024 tot minder verhuizingen. De werkgroep bestaat uit Unicef, Defence for Children, Vluchtelingenwerk, Warchild, stichting de Vrolijkheid en Safe the Children.

Tijdelijk en sober

Kinderen die in Nederland asiel aanvragen, komen eerst terecht in Ter Apel. Vanaf daar verhuizen ze naar wat in jargon een ‘pre-procesopvanglocatie’ (pre-POL) heet. Dit zijn vaak tijdelijke en sobere locaties, die op een kort verblijf gericht. Ze zijn niet ingericht op kinderen. Als hun asielaanvraag in behandeling wordt genomen, gaan kinderen naar een zogeheten ‘procesopvanglocatie’ (POL), ook gericht op tijdelijkheid. Bij toewijzing van een status verhuizen kinderen naar een asielzoekerscentrum. Vanwege de lange wachttijden duurt dat soms langer dan een jaar.

En daar blijft het niet bij: in het gunstigste geval verhuizen kinderen daarna nog één keer, naar een gemeente. Maar in de praktijk verhuizen kinderen meer: naar verschillende (pre-)POL’s, omdat de wachttijden zo lang zijn, en ook naar verschillende asielzoekerscentra – bijvoorbeeld omdat een azc sluit.

Ook onderwijs komt in het gedrang. Ieder kind dat in Nederland komt en in afwachting is van een beslissing om hier te mogen blijven, heeft recht op onderwijs. Per kind is daarvoor twee jaar financiering beschikbaar.

Door de vele verhuizingen wisselen kinderen veelvuldig van school en blijven ze pas ergens wat langer als het geld al op is. „Daardoor komen kinderen klem te zitten”, zegt Marieke Postma, voorzitter van het Lowan, een landelijke organisatie die scholen ondersteunt die het eerste opvangonderwijs voor nieuwkomers verzorgen.

Vijf keer of meer verhuizen

Postma ziet in de praktijk dat kinderen vijf keer of meer verhuizen. „Als kinderen net hun draai hebben gevonden, moeten ze weer weg en dat is niet bevorderlijk voor het leren van goed Nederlands. Door al die gebroken schoolperiodes krijgen scholen het zelf ook moeilijk om het juiste, passende onderwijs te bieden.”

Dat ervaart Linda Toussaint in de praktijk. Toussaint is intern begeleider op de Petrus Canisiusschool in het Limburgse Puth, een reguliere basisschool die ook vier taalklassen voor nieuwkomers heeft. Vorig jaar werd het azc in de buurt gesloten, maar kort daarna heropend als ‘pre-POL’. „We krijgen nu kinderen die net in Nederland zijn en dan doorstromen naar een andere plek”, zegt ze. „Eerst bleven kinderen hier twee jaar, nu minder dan een jaar. Die kinderen hebben eerst vooral sociale en emotionele begeleiding nodig, voordat ze toekomen aan het leren van de taal. Over hoe hun verdere schoolcarrière eruitziet, maak ik me grote zorgen.”