Monadnock architecten: Job Floris (l) en Sandor Naus

Foto Bas Czerwinski

Interview

‘Het kan ook zonder dogma’s’

Interview Job Floris Job Floris, een van de twee architecten van Monadnock, wil dierbare gebouwen maken. Vakmanschap en complexiteit zijn hiervoor onontbeerlijk. „Op een strakke doos ben je al gauw uitgekeken.”

‘Mijn generatie zou wel iets meer van de bravoure van de Superdutch-architecten kunnen gebruiken”, verzucht Job Floris halverwege het gesprek in een café op het Centraal Station in Amsterdam. „Op je 33ste de Erasmusbrug in Rotterdam bouwen, zoals Ben van Berkel, of je loopbaan beginnen met een paukenslag, zoals MVRDV deed met de Villa VPRO – dat getuigt van bewonderenswaardig lef. Maar misschien past zo’n wilde dadendrang ook niet zo goed bij ons. Onze boodschap is genuanceerder dan die van de conceptuele spektakelarchitectuur van Superdutch. Om ons werk te lezen, heb je niet één maar twee tellen nodig.”

Monadnock: Landmark in Nieuw Bergen, 2016 Foto Stijn Bollaert

Samen met Sandor Naus (1971) vormt Job Floris (1974) Monadnock, het Rotterdamse architectenbureau dat in 2016 doorbrak met de Landmark in Nieuw Bergen. De versmelting van uitkijktoren en horecagelegenheid, die dient als baken in het Noord-Limburgse dorp, is tegelijkertijd vreemd en vertrouwd. Vreemd, omdat het monolithische gebouw doet denken aan de mysterieuze architectuur in de ‘metafysische’ schilderijen van Giorgio de Chirico. Vertrouwd, omdat de spaarzaam versierde bakstenen gevels aansluiten op de traditionele Nederlandse baksteenarchitectuur. Ook in het samen met De Zwarte Hond ontworpen Park Paviljoen Hoge Veluwe, een van de beste gebouwen van 2019, gaan ongewoonheid en bekendheid hand in hand.

Waarom hebben jullie je bureau Monadnock genoemd?

„Toen we ons bureau in 2006 oprichtten, zochten we naar een naam die iets zou zeggen over waar wij voor staan. We zagen het Monadnock-gebouw in Chicago en werden er verliefd op. Monadnock is ook de naam van een berg in New Hampshire en zo staat het Monadnock Building ook in Chicago: als een stoere, robuuste en massieve, zestig meter hoge berg van bakstenen. Het is een heel rijk gebouw, dat met groot vakmanschap is gemaakt; het is een mijn waaruit we steeds ideeën kunnen opdiepen.

„Een van de vele bijzonderheden van het gebouw is dat het bestaat uit twee delen, die door verschillende architecten zijn ontworpen. Het oudste deel, uit 1889, heeft dikke, dragende muren van bakstenen. Het jongste heeft een staalskelet, zoals wolkenkrabbers hebben, maar daar zie je niets van. Sterker nog, als je mensen vraagt wat het oudste deel van het Monadnock-gebouw is, wijzen ze allemaal het jongste aan. Die verwarring is precies wat ons intrigeert in architectuur. Dat het niet zichtbaar is of een gebouw gloednieuw of oud is, vinden we een grote kwaliteit.”

Streven jullie naar een tijdloze architectuur?

„Nee, het ligt iets anders. Veel gebouwen van nu zijn alleen maar nostalgisch, zoals al die huizen in een versimpelde en goedkope jarendertigstijl waarmee Nederland de afgelopen dertig jaar is overspoeld. Of ze omhelzen juist de toekomst op een kritiekloze manier. Ik vrees dat architecten die vluchten in het verleden of enkel de toekomst omhelzen, veel mensen van zich vervreemden. Die begrijpen niet waarmee wij, architecten, bezig zijn. De uitdaging is juist om deze benaderingen te verenigen.

„Dit betekent natuurlijk niet dat je als architect alleen maar dienstbaar moet zijn. Architectuur maakt immers onderdeel uit van de cultuur en daarom moet je als architect ook een culturele agenda hebben. Maar die moet wel elementen bevatten die niet-vakgenoten ook kunnen begrijpen en waarderen. Op een strakke, generieke doos ben je al gauw uitgekeken.

„Alleen een gebouw met karakter kan dierbaar worden. Niet alleen vakmanschap en verfijning zijn hierbij onmisbaar, maar ook wat hoogleraar Tom Avermaete eens ‘drietijdigheid' heeft genoemd toen hij schreef over de Landmark in Nieuw-Bergen. Verleden, heden én toekomst zijn hier in één gebaar samengebracht, vond hij.”

Monadnock: Huis Atlas in Eindhoven, 2016 Foto Stijn Bollaert

Jullie zijn opgeleid in de glorietijd van de ‘conceptuele’ Superdutcharchitectuur. Hoe hebben jullie je daaraan ontworsteld?

„We hebben allebei gestudeerd aan, onder meer, de Academie voor Kunst en Vormgeving Sint Joost in Breda en daar hebben Belgische docenten ons meegetroond naar België, Zwitserland en Zuid-Europa. Hierdoor opende zich een heel ander perspectief, waarin het veel meer gaat om het maken van dingen. Mijn stage bij de Belgische architect Christian Kieckens bracht nog meer inzichten. Die beschouwde bijvoorbeeld het werk van de barok-architect Borromini als iets wat nog steeds relevant en actueel is en wat je als hedendaags architect kunt blijven gebruiken. Er ging een wereld voor me open.

„Superdutch stond voor veel, maar wat ons stoorde was de gewoonte om vrijblijvende blue foam maquettes met spectaculaire stapelingen van volumes te maken. Die werden vervolgens op een platte, directe manier vertaald in een gebouw. Daar hadden we grote moeite mee, vanwege de ontkenning van de weerbarstige praktijk van het bouwen. Want bij het materialiseren van een ontwerp stuit je op allerlei problemen en moeilijkheden die veranderingen veroorzaken. Daarom hebben wij het als het ware juist omgedraaid: al vanaf het begin bepalen de eigenschappen van de gekozen materialen het ontwerp. We verzinnen niet een concept dat we vervolgens materialiseren, maar we conceptualiseren het materiaal, zoals mijn collega Jan Peter Wingender het eens mooi heeft geformuleerd.”

Paviljoen Hoge Veluwe, interieur Foto Stijn Bollaert

Het paviljoen op de Hoge Veluwe heeft een staalskelet. Maar daar zie je door de bekleding niets van. Het modernistische streven naar ‘eerlijkheid’ en ‘waarheid’ is niet aan jullie besteed.

„In Nederland zijn generaties architectuurstudenten opgeleid met modernisme en functionalisme als uitgangspunt. Een nuchtere manier van architectuur bedrijven is dat, efficiënt en succesvol. Maar ook erg beperkt. Zo is het functionalistische idee dat je aan de hand van het exterieur het interieur moet kunnen lezen een onzinnig dogma. Allereerst moet een interieur een ander verhaal kunnen vertellen dan het exterieur. Maar ook kan de loskoppeling van interieur en exterieur juist heel handig zijn. Zo heeft de publieksruimte van het paviljoen op de Hoge Veluwe een lang tongewelf als plafond. Daar hebben we niet een ‘eerlijk’ rond dak boven gezet maar een puntdak. Dat bleek ook heel functioneel. Want tussen het tongewelf en het plafond zit een restruimte waarin nu allerlei installaties, leidingen en andere elementen zitten waarvan je niet wilt dat ze het aanzien van het gebouw bepalen.”

Het Nederlandse modernisme heeft ook een moralistische kant. Architectuur waarin iets van het verleden aanwezig is, wordt vaak nog altijd weggezet als oneigentijds en reactionair. Onlangs noemde een criticus een historiserend nieuw gebouw in Amsterdam van de Duitse architect Hans Kollhoff zelfs ‘boreale architectuur’.

„Hieruit blijkt dat Nederland vastzit in een dogma. Wanneer ik zulke uitlatingen bespreek met Belgische, Zwitserse en Britse architecten, dan proesten ze het uit. Dat zoiets nog wordt beweerd in Nederland, begrijpen ze niet. In andere Europese landen weten architecten – en critici – beter raad met nuances en vervlechtingen tussen moderniteit en geschiedenis.

„De bestempeling van bepaalde architectuur tot ‘boreaal’ komt voort uit de behoefte om de wereld helder en overzichtelijk te maken, door te denken in eenvoudige tegenstellingen, zoals nieuw en oud, goed en fout. Maar zo is de wereld niet – die is veranderlijk, onoverzichtelijk en complex. En dat is niet erg: gelijktijdigheid en complexiteit zijn juist een verrijking. Begrippen als ‘boreaal' zijn bovendien onbruikbaar in de architectuur. Het is heel simpel: een architect kan links, rechts en heel misschien ook boreaal zijn, maar architectuur niet. We moeten Thierry Baudet dan ook niet serieus nemen in zijn uitlatingen over architectuur. Met zijn verheerlijking van de negentiende eeuw probeert hij de pre-modernistische architectuur te kapen en daar ga ik niet in mee.”

De Zwarte Hond/Monadnock: Park Paviljoen Hoge Veluwe, 2019 Foto’s Stijn Bollaert

Behalve in ontwerpen zijn jullie ook geïnteresseerd in een ‘schaduwcanon’ van de twintigste-eeuwse architectuur. Wat houdt die in?

„Ook de moderne architectuur is gekaapt, zou je kunnen zeggen. In de architectuur spelen evoluties een veel grotere rol dan revoluties. Maar in de geschiedschrijving van de twintigste-eeuwse architectuur hebben lange tijd de avant-gardes centraal gestaan. Hierdoor zijn tal van goede, moderne architecten onterecht in vergetelheid geraakt. Zo was in Frankrijk de onbekende Fernand Pouillon een excellente tegenpool van Le Corbusier. En in Italië heeft Giovanni Muzio, die buiten een kring liefhebbers nauwelijks bekend is, meer sporen achtergelaten dan Giuseppe Terragni die wel in elk boek over de Europese twintigste-eeuwse architectuur voorkomt. Zo heeft elk land zijn unsung heroes in de architectuur, die het modernisme niet blindelings omhelsden maar een brug probeerden te slaan tussen conventies en de radicale vernieuwingen van de avant-garde. In onze interesse voor dit soort figuren staan we zeker niet alleen. We worden omringd door architecten met overlappende interesses, zielsverwanten zoals Hans van der Heijden, HCVA en Office Winhov. Noem het geen beweging, want die vallen al gauw ten prooi aan dogmatisme en moralisme. En daarvan hebben we ons juist bevrijd.”