Foto Fabrice Debatty

Interview

Raymond van het Groenewoud: ‘Hollandse feesttenten waren voor mij als de wachtkamer van de hel’

Interview Raymond van het Groenewoud Vrijdag wordt de Vlaamse zanger zeventig, en dat wordt gevierd met een nieuw album en een boek. „Ik werd vaak gekwalificeerd als een rebel, waar ik gewoon enthousiast was.”

Raymond van het Groenewoud wordt zeventig en dat moet gevierd worden. Een fotoboek met autobiografische notities (Een Leven Lang Dromen), een nieuw album (Speel) en een tournee die hem op 2 april naar een uitverkocht Paradiso brengt, beklinken de vijftigjarige loopbaan van de zanger die tot de Vlaamse cultuurschatten behoort. Dichter, filosoof en clown wordt hij ook wel genoemd om zijn liedjes die nooit braaf, vaak dichterlijk en altijd diep doorvoeld zijn.

„Da’s al tien jaar da’k in het vak zit”, begon Raymond van het Groenewoud in 1980 zijn hit ‘Je Veux de l’Amour’. Succes, maar ook ellende had hij gekend. De veertig jaar die erop volgden gingen evenmin rimpelloos voorbij. Ze brachten hem grote successen als de hitsingles ‘Cha Cha Cha’ en ‘Liefde Voor Muziek’. Hij was de zanger die de Vlaamse taal geschikt maakte voor de rock-’n-roll.

„Ik hou van veel muziekjes”, zong hij in ‘Cha Cha Cha’. Het nieuwe album Speel behoort tot zijn beste. Er staat funk op, reggae, pop en rock. In zijn teksten is de Vlaamse rockdichter weer bijzonder op dreef. ‘Gewoon in Amsterdam’ werd geïnspireerd door de gelukkige jaren die hij, geboren in België als kind van Nederlandse ouders, als zes- en zevenjarige doorbracht in Amsterdam. In ‘Bitter en Bot’ zingt hij zijn overleden vader toe: „Dat werd je stempel/ dat werd je lot/ Ik bid tot de hemel/ maak me niet bitter en bot.”

Vader Josef van het Groenewoud ontkwam aan de Nederlandse dienstplicht door in 1947 naar België te verhuizen. Onder de naam Nico Gomez leidde hij een latinorkest. Op achttienjarige leeftijd debuteerde zoon Raymond bij zijn vader. „Ik had een muziekopleiding gevolgd en kon noten lezen. Mijn vader liet me bladmuziek schrijven. Het was mijn geluk dat ik zo mijn geld kon verdienen. In de opnamestudio voelde ik me op mijn gemak. Pas later kwam het idee om zelf zanger te worden. Mijn moeder was ertegen.”

Thuis in Brugge, waar hij sinds 1994 een ruim appartement in de historische binnenstad bewoont, blikt Raymond van het Groenewoud terug.

Voor Johan Verminnen, de Vlaamse zanger die hij begin jaren zeventig muzikaal begeleidde, schreef hij ooit een volledig orkestarrangement. „Dat deed ik met een ei in mijn broek, want ik kon alleen maar hopen dat het zo ging klinken als ik het bedoeld had. Frank Zappa was toen al een invloed. Marimba’s, veel blazers. Ik kende het bereik van die instrumenten, maar had geen idee hoe het geheel zou uitpakken. Dan viel uiteindelijk geweldig mee.”

Uw vader werd bitter en bot, zingt u. Hoe kwam dat?

„Mijn moeder had hem bitter zien worden omdat hij altijd zo serviel was. Hij moest zich nederig opstellen en klussen aannemen die zijn hart niet hadden. Hij had een gezin en er moest een huis afbetaald worden. Ikzelf ben lang genoeg alleen geweest om te kunnen leven met armoede. Ik kan me goed vinden in het motto dat Lou Reed van de dichter Delmore Schwartz overnam: ‘In dreams begin responsibilities.’ Als je visioenen hebt, in mijn geval muzikale, dan moet je daar net zo lang aan timmeren en slijpen tot je iets hebt wat je ideaal benadert.”

Verzet tegen braafheid was een rode draad in uw carrière?

„Dat is niet zo bewust hoor. Ik werd vaak gekwalificeerd als een rebel, waar ik gewoon enthousiast was. Wat ik van meet af aan wist, was dat ik mijn eigen soort teksten wilde maken. Toen ‘Meisjes’ af was, vond ik het gewoon grappig, met dat zinnetje ‘ze komen zelden klaar meneer’. Media in Vlaanderen vielen daarover. Het was niet netjes om dat te zingen. Vanwege de strofe ‘ze komen goed van pas’ kreeg ik kritiek uit de feministische hoek. Voor mij was het een wederzijdse stelling. Jongens kwamen even goed van pas voor de meisjes.”

Om Nederlands te kunnen zingen moest u de Vlaamse popmuziek bevrijden uit de greep van de kleinkunst?

„Dat wordt beweerd. Ik ga het niet ontkennen. Iedereen had een hekel aan dat woord, ook de zangers die zelf tot de kleinkunst gerekend werden. Ik vond het belangrijk om spreektaal te gebruiken. ‘Ze kan zo lekker lopen’, de opening van ‘Maria, Maria, Ik Hou van Jou’, zoiets bestond nog niet. Dat handtastelijke in een poptekst. Een andere voorwaarde was dat het moest swingen. Een songtekst is geen literatuur. Een woord dat op muziek wordt gezet, begint een heel ander leven te leiden. Een van de mysteries van muziek is dat je tien keer dezelfde zin kunt zingen, en dat het zinvol is om dat tien keer achter elkaar te doen.”

‘Vlaanderen Boven’ geldt als het officieuze volkslied van Vlaanderen. Vervult u dat met trots?

„Zolang men er de ironie maar van inziet. Het laatste wat ik wilde maken was een nationalistisch lied. Een van de dingen die de wereld lelijk en gevaarlijk maken, is doorgeslagen chauvinisme. Wat ik zo mooi vind aan Vlaanderen is het vermogen tot zelfspot. Lachen om jezelf is de eigenschap waar Vlamingen het meest trots op mogen zijn.”

Bij ‘Je Veux de l’Amour’ gaf de uitzinnige performance de doorslag. Was het een aanslag op uw stembanden?

„Oorspronkelijk was het een Franstalig nummer. Ik zag het op televisie en vond dat de zanger zich enorm inhield. Bij het vertalen hield ik er rekening mee dat ik er al mijn passie in wilde stoppen. Toen het rode lichtje van de studio aanging, lukte het de eerste keer nog niet. Het geluid moest nog worden afgeregeld. We waren een klein collectief van vier muzikanten en de tweede keer gingen we er vol voor. Ik heb me toen helemaal leeg gezongen. Er zat nog een foutje in de drumpartij maar een derde keer kon echt niet meer. Dan zou het vals sentiment zijn geworden.”

In ‘Cha Cha Cha’ zong u: ‘In de muziek bestaan ook veel racisten.’ Wat bedoelde u daarmee?

„In het café ving ik gesprekken op tussen muzikanten die onderling uitmaakten welke muziek goed was en welke niet. Ze creëerden getto’s voor de muziek die hun niet beviel. Zuid-Amerikaanse muziek gold als fout. Voor mij een reden om het expres wél te spelen. Uit weerspannigheid koos ik voor de cha cha cha, juist omdat het oubollig werd gevonden. Ik speel alles graag. Als de ware inzet er maar is.”

‘Liefde voor Muziek’ uit 1990 werd een nummer-1-hit in België en Nederland. Wat deed dat met uw carrière?

„In materieel opzicht was het goed nieuws. Ik moest uitkijken dat ik niet flipte van het succes. Optreden in Hollandse feesttenten op zaterdagavond werd voor mij een soort Satyricon, een wachtkamer van de hel. Al die baldadigheid, al dat gooien met hele dienbladen vol bier. Ik vond dat mensonterend. Uit recalcitrantie speelde ik ‘Liefde voor Muziek’ soms helemaal niet, tot groot verdriet van het publiek. Op die podia had ik niks te zoeken. In het theater voel ik me veel meer thuis. Dat is, om Boudewijn de Groot te parafraseren, waar ik woon en wie ik ben.”

Wat zijn uw voornaamste bronnen van inspiratie?

„Het dagelijks leven, de liefde. Het thema dat voor alle generaties werkt is de yin en yang tussen twee mensen. De vonk die overslaat en hoe duizelig je ervan wordt. Dat moet eruit; dat moet vastgelegd worden. ‘Jouw Liefde’ is misschien wel mijn meest romantische nummer. Het was een vondst om te zeggen dat ik er niet over ga zingen. Juist omdat liefde zo mooi is.”

‘Gewoon in Amsterdam’ op het nieuwe album is een liefdesverklaring aan de stad waar u als zesjarige woonde. Voelt u zich nog steeds een beetje Nederlander?

„In Amsterdam ben ik als kind gelukkig geweest. Ik voel me verbonden met die stad. Daarmee zeg ik geenszins dat er niets boven Amsterdam gaat. Hier in Brugge voel ik me thuis, juist omdat je ver weg zit van het muzikantenmilieu dat mij in Brussel begon te beklemmen. In plaats daarvan heb je hier gewone mensen, open lucht, en de zee vlakbij. Precies alles wat ik nodig had om in evenwicht te komen.”

Had u als twintiger kunnen denken dat u de zeventig zou halen in het muzikantenvak?

„Ja, dat wel. Ik heb altijd gedacht dat het leven dient voor je eigen ontwikkeling. Elke fase brengt zijn eigen rijkdom. In het ideale geval dient de ouwe dag om weemoedig, met een goed gevoel terug te kijken op alles wat geweest is. Dat er af en toe nog een gitaar om mijn nek hangt, is een mooie bijkomstigheid. Mijn pianospel is misschien beter, maar met een gitaar kan ik het publiek recht in de ogen zien.”