Opinie

Een krokodillentraan over een loongolfje

Maarten Schinkel

Hoera! De lonen zijn in januari gestegen met 3,2 procent – het snelst sinds de periode 2008-2009. En omdat de btw-verhoging van vorig jaar nu uit de inflatiecijfers valt, is de inflatie gedaald van 2,7 procent in december naar 1,8 procent in januari. Het gevolg is dat de reële loonstijging (gecorrigeerd voor inflatie dus) een bescheiden explosie heeft doorgemaakt: van 0,3 procent in december vorig jaar naar 1,4 procent in januari.

Is dit dus het loongolfje waar zelfs De Nederlandsche Bank om vroeg? Met lonen is het lastig werken. Per uur, per jaar? Totale beloning, ook met werkgeversdeel, of alleen het werknemersdeel van de cao-stijging? Maar moet dat dan ook met inbegrip van periodieken en promoties? En hoe omschrijf je het ‘loon’ van een zzp’er die alleen in naam een bedrijfje is, maar in werkelijkheid een vogelvrije werknemer?

Toch zijn de cao-lonen over de langere termijn helemaal niet zo’n slechte raadgever. Een van de belangrijkste ijkpunten van het debat is het jaar 2008: toen begon de economische crisis waar we misschien nog steeds niet helemaal uit zijn. In de eerste jaren daalden de reële lonen, tot een dieptepunt in 2014. Daarna trokken ze heel langzaam weer wat aan. Per januari 2020 zijn de reële lonen, hou je vast, 0,4 procent hoger dan vóór de Lehman-crisis. Dat komt neer op een gemiddelde stijging van 0,4 promille per jaar.

Nu zijn er, zoals gezegd, promoties, periodieken, belastingen en allerlei andere factoren. Sinds jaar en dag doet het Centraal Planbureau de moedige poging die samen te vatten in het verloop van de koopkracht. Wie naar de ontwikkeling van die (mediane) koopkracht kijkt sinds 2008, komt op een bijna even schamele ontwikkeling als bij de cao-lonen: 0,2 procent gemiddeld per jaar. En dat terwijl het bruto binnenlands product en het nationaal inkomen (allebei gecorrigeerd voor inflatie) veel en veel sneller toenamen.

Het huidige loongolfje maakt voorlopig alleen de crisisverliezen sinds 2008 maar goed

En zo kom je vanzelf op één van de belangrijkste maatschappelijke indicatoren voor de economie: de arbeidsinkomensquote (aiq). Dat is het deel van het nationaal inkomen dat toekomt aan werknemers. Deze aiq is sinds Lehman gecorrigeerd voor het flink toegenomen aantal flexwerkers. Destijds dachten we nog dat hij in 2008 boven de 80 stond (dus vier vijfde van het nationaal inkomen kwam de factor arbeid toe). Dat bleek, door daling én herberekening, minder dan 73 in 2014. En zelfs nu is hij gestegen tot nog geen 75 in 2019.

De huidige loonstijging is dus niet zozeer ‘hoera’, maar brengt de lonen en de koopkracht alleen maar terug tot het pre-Lehman-niveau. De beloning van de factor arbeid is nauwelijks toegenomen. Dat is een recept voor maatschappelijke onvrede.

Oud-werkgeversvoorzitter Kees van Lede, ook onder meer oud-Akzo en oud-private-equityreus Carlyle, stelde twee weken geleden dat ‘rechts’ nu naar het midden moet opschuiven. Net als ‘links’ dat in de jaren tachtig deed. Dat klinkt redelijk. Maar toen presentator Jort Kelder hem zaterdag op NPO Radio 1 vroeg of de lonen dus extra omhoog kunnen, antwoordde Van Lede dat de oplossing moest worden gezocht in hogere productiviteit. Maar wie zegt dat werkgevers hun werknemers de winst daaruit dan wél mee naar huis laten nemen? Weinig geleerd, lijkt het.

Dat is zo’n beetje het probleem van veel spijtoptanten. Oud-bankiers die zich tegen het financiële systeem keerden. Voormalige techmanagers die nu waarschuwen voor de vuige tactieken en privacyschendingen van hun voormalige bedrijf. Alles goed en wel. Maar je kunt niet, eenmaal in – zeg – je Zwitserse villa, waarschuwen tegen de manier waarop je zelf die Zwitserse villa hebt verdiend. Eerst alles doneren aan het Rode Kruis, zou je denken. En dan praten we verder.

Maarten Schinkel schrijft over economie en financiële markten.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.