Opinie

Dit ben ik, doe het er maar mee

Joyce Roodnat Toen ze hoorde dat Het Nationale Ballet een dansvoorstelling over Frida Kahlo op stapel had staan, dacht Joyce Roodnat meteen: wat een goed idee. Maar dat valt tegen – terwijl het wel kán, lichamelijk falen heeft de kunstenaar heel veel te bieden.

Joyce Roodnat

Schilderes Frida Kahlo was gehandicapt. Schilderen deed ze in bed. Ze moest erbij blijven liggen, anders hield ze het niet vol. Ze portretteerde zichzelf in korset en met orthopedische hulpstukken, halfnaakt in een regen van kopspijkers. Altijd had ze pijn maar ze schildert zichzelf nooit zielig, die zelfportretten spetteren van leven. Ze is sensueel, ze eist erkenning voor haar schoonheid. Dit ben ik, doe het er maar mee!

Toen ik hoorde dat Het Nationale Ballet een dansvoorstelling over haar op stapel had staan, sprong ik op. Wat een goed idee. Pijn is leven, dat tonen Frida’s schilderijen, met haarzelf als stijve hark te midden van kleuren, bloemen, dieren. Dat Kahlo zichzelf zo stram schilderde was geen onmacht. Als je zulke swingende vlinders kunt schilderen, lukt een swingend mens ook wel. Nee, het was een artistieke keuze. Ze drukte uit hoe ze zich in haar lichaam voelde.

Lees ook de recensie van ‘Frida’

Gevonden vreten voor een choreograaf zou je zeggen. Unieke bewegingen traceren, gevoel vertalen, precies dat doet een dansmaker. Maar de choreografe van Frida ging er niet in mee. Ze vermeed de vuile schoonheid van lichamelijk gebrek. Haar Frida beweegt soepel, de ballerina verricht de wonderen die klassieke dansers altijd verrichten. Ze trekt soms wat met een been, verder blijft ze weg van de schilderes die juist haar invaliditeit in de strijd gooide en haar identiteit ermee versterkte.

Denk nou niet dat het niet kán, denk alleen al aan de pop in het ballet Coppélia. Lichamelijk falen heeft de kunstenaar heel veel te bieden. En dan heb ik het niet over vals sentiment. Maar neem Bill T. Jones – toevallig co-gastheer van het Holland Festival 2020. Hij maakte in 1994 Still/Here, een dansvoorstelling over en met mensen die leden aan hiv en aids. „Slachtofferkunst!”, klonk het smalend. De danscritica van The New Yorker schreef zelfs een anti-recensie. Ze ging het stuk niet zien, want medelijden was geen maatstaf. Ik zag ’t wel. Oersterke voorstelling en medelijden kwam niet in me op.

Alison Lapper and Parys (2000)

Foto Marc Quinn

De film Hable con ella van Pedro Almodóvar draait om twee vrouwen in coma, en sneuigheid is er niet bij. The Diving Bell and the Butterfly (Julian Schnabel, 2007), met het waargebeurde verhaal van een man die nog maar één ooglid kan bewegen, is een film over woede.

Alison Lapper heeft geen armen, nauwelijks benen en is glorieus vereeuwigd door beeldhouwer Marc Quinn. Ik zag haar op Trafalgar Square. Drie en een halve meter hoog, naakt en met een zwangere buik. Geen verliezer maar een trotse aanstaande moeder. Quinn maakte ook het monumentale vervolg: Alison Lapper met haar peuter tussen haar vernaggelde voeten. Een marmeren ode aan het leven dat haar een loer draaide, maar dat háár leven is.