Opinie

Dak eraf

Marcel van Roosmalen

In de ontzielde huiskamer van ons ouderlijk huis in Velp aten we kroketten van Bert Beursken, volgens mijn broer – met zijn smaakpapillen is dan weer niets mis – hebben die de lekkerste korst. Hij schreeuwde: „Of ken jij kroketten met een betere korst?!”

Dat was dan onze humor: schreeuwen, net doen of we ruzie hebben.

„O jezus, ze heeft nieuwe buren”, schoot me opeens te binnen, „die denken natuurlijk dat dit echt is.”

Daarna het grote niets.

Alles was al afgesloten: geen internet, geen televisie.

Gingen we de borden en het bestek nog afwassen? Of gooiden we die bij het grofvuil in de container?

Ik wachtte het antwoord niet eens af.

Hoppa – rinkeldekinkel – klaar.

De volgende ochtend waren de verhuizers er twee uur later dan gepland. Dat had ik goed uitonderhandeld, goedkoper dan deze Arnhemse firma was het nergens. Ze sloften met zwijgende tegenzin van binnen naar buiten.

Soms een korte conversatie.

„Deze”, zei een van de twee in de slaapkamer van mijn moeder, terwijl hij met de knokkels tegen haar kledingkast sloeg, „deze krijg ik alleen naar buiten als ik ’m kapotsla.”

Haar inboedel bestond uit 43 dozen, een salontafel, een kast en een bank, binnen het halfuur was het ingeladen.

Mijn broer ritste zijn jas dicht en liep met zijn stok naar het busje.

Opeens konden ze toch praten. „Wat gaat die doen dan?”, vroeg de voorman aan mij. „Meerijden”, zei ik, „dat is toch afgesproken?”

Dat risico gingen ze niet lopen, ze namen ‘vanwege de regels’ nooit vreemden mee.

Ik belde de directie, een vrouw die me in het Ernems uitlegde dat ‘meerijden’ in verhuizersjargon betekent dat je dan met je eigen auto achter de verhuisauto aan rijdt.

„Dat mag wel.”

Ik zei dat mijn broer bijna blind is.

Zij: „Daarmee kun je korting krijgen bij de taxi.”

„Hang maar op! Hang maar op!”, riep mijn broer. „Het busje is al weg.”

We gingen bij de pakken neerzitten.

Anderhalf uur later belde mijn zus, ze stond veertig kilometer verderop nu al wel heel lang voor het nieuwe verpleeghuis in de storm te wachten. In haar binnenzak zat een envelop met cash voor de verhuizers. We wisten toen al dat het te weinig zou zijn.

Toen ik ’s avonds thuiskwam, bleek dat het dak van mijn huis er voor een deel was afgewaaid.

Ze had nog niets in de gaten.

Ze vroeg: „Hoe was het?”

Ik zei: „Dak eraf.”

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.