Zeelieden vangen bot

Economie en Recht Deze rubriek belicht elke week kwesties uit het bedrijfsleven waarover de rechter zich onlangs uitsprak. Ditmaal: Europees recht.

Matrozen in de haven van Rotterdam. Foto Marco de Swart/ANP
Matrozen in de haven van Rotterdam. Foto Marco de Swart/ANP

Zeelieden uit niet-Europese landen die via Schiphol naar de haven van Rotterdam kwamen, kregen in het verleden een ‘uitreisstempel’ in hun paspoort op het moment dat ze aan boord gingen. Vaak bleven ze nog weken op de schepen werken voordat deze uitvoeren. Het stempel verlengde hun toegestane verblijf in Nederland.

Sinds begin 2016 weigert de zeehavenpolitie, die is belast met de grenscontrole in Rotterdam, zo’n uitreisstempel af te geven als niet vaststaat wanneer het schip de haven verlaat. Hierdoor wordt de periode die de zeelieden in Nederland mogen blijven ingekort. In hoger beroep belandde hun grief bij het Europees Hof. Dat stelde vorige week vast dat de geldende ‘Schengengrenscode’ niet duidelijk is over het moment van uitreis.

Tegelijkertijd is het volgens het Hof van groot belang dat alle lidstaten onder ‘uitreis’ hetzelfde verstaan. „Derhalve staat het aan het Hof om deze term uniform uit te leggen.” Het kiest voor aansluiting bij de omgangstaal: het uitreisstempel mag pas worden afgegeven als het schip daadwerkelijk afvaart. Elke andere uitleg werkt misbruik en omzeiling van de EU-regels voor beperkt verblijf in de hand, aldus het Hof.

Uitspraak: ECLI:EU:C:2020:76