Recensie

Recensie Film

Niemand ontsnapt aan ‘Chinatown’

Boekrecensie De klassieker ‘Chinatown’ heeft hernieuwde urgentie in het Trump-tijdperk. ‘The Big Goodbye’ van Sam Wasson is een onderhoudend boek over Roman Polanski’s meesterwerk.

J. J. ‘Jake’ Gittes (Jack Nicholson) en Evelyn Cross (Faye Dunaway) in ‘Chinatown’.
J. J. ‘Jake’ Gittes (Jack Nicholson) en Evelyn Cross (Faye Dunaway) in ‘Chinatown’. Foto Getty Images

Misschien is het vooral een handige manier om aandacht te trekken voor zijn boek. Maar auteur Sam Wasson heeft toch een punt. Hij verklaarde in interviews dat de verkiezing van Donald Trump hem richting zijn nieuwe boek The Big Goodbye heeft geleid: een rijke, gedetailleerde en onderhoudende studie van Roman Polanski’s klassieke misdaadfilm Chinatown. „Toen ik het boek pitchte bij de uitgeverij deed ik dat vanuit woede en een gevoel van futiliteit door Trump.”

Niet alleen was Amerika tot voor kort weer net zoals in de jaren zeventig verwikkeld in een impeachment-proces tegen de president, ook sommige films uit de jaren zeventig hebben hernieuwde relevantie en urgentie. Wasson omschrijft de verkiezing van Trump als een „trauma”. De „emotionele grondhouding” van Chinatown is volgens hem ook een soort trauma, dat zichzelf steeds herhaalt. Maar ook zonder te psychologiseren zijn de parallellen tussen het Trump-tijdperk en de wereld van Chinatown niet moeilijk te vinden.

De film gaat immers over duistere zaken: tijdens een grote droogte in de jaren dertig knijpt een consortium van louche zakenlui en corrupte ambtenaren de watervoorziening van Los Angeles af, in de verwachting zo uiteindelijk een miljoenendeal te kunnen sluiten. Privédetective Jake Gittes (Jack Nicholson) stuit op het complot, waarachter de diabolische patriarch Noah Cross schuilgaat (John Huston). Naast Cross’ publieke wandaden komt Gittes ook achter een familiegeheim. Cross heeft bij zijn destijds vijftienjarige dochter Evelyn (Faye Dunaway) een kind verwekt.

Al de inspanningen van speurder Gittes lopen uit op niets. Aan het einde van de film loopt Noah Cross weg als een vrij man. „Forget it, Jake. It’s Chinatown”, luiden de beroemde slotwoorden van de film.

Van enig berouw bij Noah Cross is geen sprake: „Ik verwijt mezelf niets. De meeste mensen hoeven nooit het feit onder ogen te zien dat ze, op het juiste moment en op de juiste plaats, tot alles in staat zijn.”

Dat scherpe inzicht in de beperkingen van elke menselijke moraal is meer afkomstig van regisseur Polanski dan van Robert Towne, de scenarist van Chinatown. Towne kreeg weliswaar als enige een naamsvermelding (en een Oscar) als auteur van het script, maar Polanski dwong hem de film volledig te herschrijven op diens aanwijzingen. De regisseur koos ook op eigen houtje voor het sombere einde. Towne stond een ontknoping voor ogen met in ieder geval nog een glimp van hoop.

Voor Towne was het Los Angeles van Chinatown een nostalgisch eerbetoon aan de stad zoals die ooit had bestaan, maar die inmiddels was overwoekerd door corruptie en vernielzucht. Polanski had weinig interesse in zulke nostalgie. Uit hun botsing van zachtaardige nostalgie en verzengende wanhoop ontstond de schoonheid van Chinatown.

Polanski, die in Polen zijn moeder had verloren tijdens de Holocaust en zijn vrouw Sharon Tate aan de moorddadige bende van Charles Manson, had weinig reden om te vertrouwen op de goedheid van de menselijke natuur. Het valt niet moeilijk te verklaren dat uitgerekend Polanski in 1974 zo’n hard en ontnuchterend beeld schetste van Los Angeles; de stad waar hij vijf jaar eerder zijn zwangere vrouw verloor.

Lees ook de column van Coen van Zwol over Roman Polanski’s nieuwste film ‘J’accuse’: Mogen we de nieuwe Polanski nog zien?

Dat maakt Chinatown tot meer dan de zoveelste hommage aan een oud filmgenre, zoals ze in de jaren zeventig veel zijn gemaakt – tijdens de zogeheten ‘nostalgie-boom’. Jake Gittes is ook niet zomaar een zoveelste variant op Raymond Chandlers beroemde detective Philip Marlowe. Dat ligt vooral aan de mythische resonanties van de film. Denk alleen al aan de bijbelse connotaties van een naam als Noah Cross voor de schurk.

De film vertelt een ontstaansmythe van Los Angeles, „een stad in de woestijn”. Maar wel een negatieve, duistere variant van dat scheppingsverhaal. Los Angeles is gebouwd op moord, diefstal en corruptie. Water, zon en droogte vormen daarnaast belangrijke motieven, die het verhaal mythische en tijdloze kwaliteiten geven. Het taboe op incest is zo oud als de mensheid. Dat zorgt er eveneens voor dat Chinatown boven de anekdotiek uitstijgt.

Maar Chinatown is een meesterwerk, omdat al die elementen er nergens dik bovenop liggen. De film bevat geen grammetje vet. De gebeurtenissen voltrekken zich altijd logisch en vanzelfsprekend. Elk element werkt op zich ook heel simpel en direct als onderdeel van het misdaadverhaal. De private eye, van origine een pulpheld, krijgt ondertussen haast ongemerkt de waardigheid van de held in een klassieke tragedie.

Sadistisch

Op de set van Chinatown ging het er van tijd tot tijd woest aan toe. De notoir moeilijke Faye Dunaway wilde al na een week dat ‘sadist’ Polanski als regisseur van de film zou worden gehaald. Producent Robert Evans van studio Paramount ging daar wijselijk niet op in. Towne was er ondertussen van overtuigd dat Polanski de film die hij had geschreven om zeep hielp met zijn kille aanpak. Alleen Jack Nicholson – in zijn eerste echte rol als ‘leading man’ – lijkt onder alle omstandigheden zijn kalmte te hebben bewaard. Towne en Evans behoorden beiden tot zijn intieme vrienden. Towne schreef de film met Nicholson in gedachten voor de hoofdrol. Chinatown was het droomproject van een vriendenclub.

Voor Sam Wasson is Chinatown reden om nostalgisch terug te verlangen naar een periode die inmiddels als een gouden tijdperk in de geschiedenis van Hollywood geldt; voordat Steven Spielberg met Jaws in 1975 de dominantie van de blockbuster inluidde. Dat was een tijdperk waarin – heel even – jonge regisseurs de baas leken te zijn in Hollywood. Francis Ford Coppola, Martin Scorsese, Brian De Palma en ook Roman Polanski maakten eind jaren zestig, begin jaren zeventig hun beste werk.

Sinds Jaws heeft de blockbuster een grote vlucht genomen, tot verdriet van regisseurs als Scorsese en Coppola: Is de superheldenfilm kunst?

Wasson onderstreept dat bij het maken van films de nadruk nog lag op zaken als ‘pré-productie’ en scriptontwikkeling in plaats van distributie en marketing. Heel consequent besteedt hij dan ook veel aandacht aan de talloze versies van het scenario van Chinatown en de keuze van de locaties, kostuums en decors. Tegelijk laat hij zelf zien dat die ‘gouden tijd’ tot op zekere hoogte zelf een mythe is.

Filmmakers als Polanski kregen vrijheid van Evans, de playboy-producent die zijn imperium bestierde vanuit zijn riante landhuis en zelden naar de studio kwam. Maar die vrijheid was zeker niet onbeperkt. Evans wisselde op het laatste moment de muziek van Chinatown; de avant-gardescore van Phillip Lambro verving hij door jazzy muziek van Jerry Goldsmith. Polanski was te moe om zich nog te verzetten, maar bezwoer nooit meer met Evans te zullen samenwerken.

Evans haalde zijn neus op voor rampenfilms zoals Towering Inferno, die al vóór Jaws miljoenen binnenharkten in Hollywood. Dat was een stategische blunder waardoor hij midden jaren zeventig al zijn baan verloor als productiechef van Paramount. Niet lang daarna zou zijn cocaïnegebruik hem in de financiële en creatieve afgrond storten. De heerschappij van regisseurs die in Hollywood hun persoonlijke, creatieve impulsen konden volgen, was nooit onbedreigd en altijd precair.