Marshmallowtest gaat veel beter met zijn tweeën

Psychologie In de beroemde ‘marshmallowtest’ scoren kinderen veel beter als ook een ander kind van hun wilskracht afhankelijk is.

Bij de standaard ‘marshmallowtest’ worden het doorzettingsvermogen en de ‘zelfremming’ van jonge kinderen getest.
Bij de standaard ‘marshmallowtest’ worden het doorzettingsvermogen en de ‘zelfremming’ van jonge kinderen getest. Foto Getty Images

Kinderen die sámen de ‘marshmallowtest’ doen, houden het langer vol om de lekkernij op de tafel voor hen niet op te eten. Dat blijkt uit een onderzoek onder Duitse en Keniaanse kinderen, door psychologen van het Max Planck Instituut in Leipzig, onder leiding van Sebastian Grüneisen dat vorige maand gepubliceerd werd in Psychological Science.

Bij de standaard ‘marshmallowtest’ worden het doorzettingsvermogen en de ‘zelfremming’ van jonge kinderen getest door in een kamertje een koekje of een andere lekkernij voor hen te leggen. De experimentator verlaat de kamer en als het kind er dan in slaagt tien minuten van het koekje af te blijven, krijgt hij of zij er nog een. Het is een veelbesproken test, omdat het schitterende beelden van met zichzelf worstelende kinderen opleverde, maar ook in de jaren negentig bleek dat kinderen die dat uitstel van behoeftebevrediging goed onder de knie hadden, later in het leven meer maatschappelijk succes leken te hebben. Later kwam er ook meer kritiek, bijvoorbeeld dat de test niet alleen maar doorzettingsvermogen meet, maar ook het vertrouwen dat het kind in de voor hem vreemde experimentator heeft.

Een nieuwe dimensie

Grüneisen en zijn team hebben nu een nieuwe dimensie toegevoegd aan die test. Want de allerindividueelste situatie van kinderen in zo’n marshmallowkamertje zal tijdens de menselijke evolutie maar hoogst zelden zijn voorgekomen. In het dagelijks leven van duizenden generaties mensen zal uitstel van behoeftebevrediging vrijwel altijd voorkomen in een context van samenwerking. Naast de bekende solotest werden daarom nu in totaal ruim 200 kinderen van vijf en zes jaar, de helft in Duitsland, de helft in een Kikuyu-dorp in Kenia, ook onderworpen aan twee varianten. Twee kinderen mochten samen even spelen en gingen vervolgens naar een eigen kamertje, met daarin een koekje (in Duitsland een Oreo, in Kenia een lokaal geliefd vanillekoekje).

Lees ook: Kleuters hebben steeds meer zelfbeheersing

In de onderlinge-afhankelijkheidsvariant kregen de kinderen te horen dat als zij het allebei tien minuten met het koekje uithielden ze allebei een tweede koekje kregen. Maar als er een voortijdig at, kreeg de ander ook niks – een soort prisoner’s dilemma dus. Bij de eenzijdige-afhankelijkheidsvariant deed alleen de eigen prestatie ertoe. De beloning van het tweede kind was daarbij afhankelijk van de prestatie van de eerste, maar niet andersom. Als het eerste kind volhield kreeg het andere kind ook een tweede koekje en anders niet. In beide afhankelijkheidsvarianten deden de kinderen het beter dan in de solovariant, zowel in Kenia als in Duitsland. ‘Solo’ hield een kwart van de kinderen het vol (de Keniaanse beter dan de Duitse), in de wederzijdse-afhankelijkheidsvariant was dat het dubbele. De eenzijdige-afhankelijkheidsvariant zat ertussenin.

Wederzijdse verplichting

Als de kinderen van elkaar afhankelijk waren deden ze dus veel meer moeite dan wanneer ze hun lot in eigen hand hadden. De gevoelde verplichting ten opzichte van de ander versterkt kennelijk de wilskracht. In een rationeel streven naar maximale opbrengst zou dat anders zijn. In de wederzijdse-afhankelijkheidsvariant is de beloning onzekerder, waarom meer moeite doen? De onderzoekers zien in de uitkomst een ondersteuning van de theorie van Michael Tomasello dat mensen een aangeboren neiging tot samenwerking hebben en dat een gezamenlijk streven en wederzijdse afhankelijkheid de motivatie om door te zetten juist versterken.

Dat de uitkomst bij de Kikuyu-kinderen hetzelfde was als bij de Duitse was niet vanzelfsprekend. Want in een eerder onderzoek door Michael Tomasello en Esther Herrmann, die ook aan het huidige onderzoek deelnam, bleken juist grote verschillen in rechtvaardigheidsgevoel tussen de twee groepen. In dat onderzoek werd gekeken naar de manier waarop kinderen onderling extra kralen verdeelden die ze ergens uit moesten vissen. De Duitse kinderen gingen onmiddellijk om de beurt vissen, en zo werden de kralen eerlijk verdeeld. Bij de Keniase kinderen nam het dominante kind het initiatief en hield alle extra kralen zelf. Ook (zachte) protesten van het andere kind maakten daarin geen verschil. De Keniase kinderen hadden daarin overigens wel de neiging om bij een volgende ‘spel’ de ander ook eens dominant te laten zijn, maar dat compenseerde de scheve verdeling van de kralen maar gedeeltelijk.

Correctie (11 februari 2020): ter verduidelijking van de uitleg van het experiment zijn de namen van de varianten veranderd in: wederzijdse-afhankelijkheidsvariant (was: afhankelijkheidsvariant) en eenzijdige-afhankelijkheidsvariant (was: onafhankelijkheidsvariant)