Ack van Rooyen: ‘In principe ga je als jazzmuzikant niet met pensioen. Dat bestaat gewoon niet.’

Foto Andreas Terlaak

Jazztrompettist Ack van Rooyen (90): ‘Als het blazen niet meer gaat, houdt het vanzelf op’

Interview Zijn toon is nog mooi, zijn gevoel voor timing onveranderlijk sterk. Met pensioen? Jazztrompettist Ack van Rooyen (90) peinst er niet over.

Er hangen cd’tjes aan de takken van de boom in zijn tuin. Ze glinsteren in de wind. „Het verjaagt de duiven. Anders gaan ze op mijn serre zitten. Het is bovendien een oud plaatje van mij. Dan blijven ze ook wel weg”, grinnikt jazzmusicus Ack van Rooyen (90). Hij zit bij het raam in de achterkamer. In zijn grote huis in het Haagse Statenkwartier, niet ver van waar vroeger het North Sea Jazz Festival was, woonde Van Rooyen al als tiener met zijn ouders. Indrukwekkend is het nog door zijn vader gefabriceerde, gedetailleerde glas in lood, bovenin de hoge voorramen en in de gang.

Zijn bugel (flügelhorn), een voor hem geprepareerde ‘Ack’, ligt op een kussen. De twee paspoorten (Nederlands en Amerikaans) van zijn vrouw, zangeres Barbara Field, liggen binnen handbereik. Haar beeltenis – een warm spiritueel mens – hangt overal. Ze overleed vorig jaar en hij mist haar tot in zijn diepste wezen. Soms overweegt hij een huisgenoot op de bovenverdieping voor wat levendigheid in huis. Maar meestal, denkt hij, is het wel genoeg zo. Zeker als bevriende musici voor hem koken.

Niet dat hij stilzit. Er zijn optredens met pianist Juraj Stanik en met het Ack van Rooyen Quintet. Hij reist naar Duitsland voor optredens en workshops. Hij maakte in Brussel een album met de Belgische gitarist Philip Catherine. En laatst trad hij een week lang op in Jazzland, een rustieke jazzclub in Wenen.

Daar voelde hij zich „tussen alle oudheid vanzelf weer een beetje jonger”. Dat is heus niet zomaar een leuke opmerking van een speelgrage jazzsenior. Van Rooyen, geboren op Nieuwjaarsdag in 1930, werd onlangs 90 jaar en vierde dat groots met een concert in het Amsterdamse Bimhuis. Met jazzvrienden als trombonist Bart van Lier en zangeres Fay Claassen, en jazzpoëzie van Kees van Kooten.

Koninklijke onderscheiding

„Het stak allemaal goed in elkaar”, blikt Van Rooyen terug. „Het was daardoor echt heel relaxed.” En tot zijn verrassing werd hij ook nog koninklijk onderscheiden vanwege zijn grote verdiensten in de nationale en internationale jazzmuziek en het jazzonderwijs. „Eervol en een flinke egopleaser”, vindt hij. Hij prikte de medaille gewoon maar aan de muur met jazzfoto’s. „Overigens, als je doodgaat moet je ’m teruggeven. Tenzij je ’m koopt voor 400 euro.”

Zijn muziekcarrière omspant nu ruim zeventig jaar. Wie een zachte, tedere toon zoekt, komt bij Van Rooyen uit. Een sensitieve, intieme klank – van heel dichtbij. Melodische vondsten, eerst op trompet, later meer op de bugel, soms harmonisch versmeltend met zang. En altijd wars van effectbejag. „Met een trompet ben je strijdvaardig, weet je. Je laat ze wel even een poepie ruiken. Met de bugel is het net als met een altviool bij de strijkers: voor een ander type mens met een ander gemoed. De klank is warmer, de stem is zachter.”

Op zijn negentiende begon hij in het Gelders Orkest na een ‘mooi’ afstuderen. Hij vond er „hemelse klanken”, maar hij keerde er na zijn militaire dienst toch niet meer terug. Want de jazz riep. „Met de jongens”, jazzmusici als Rob Pronk, Rob Madna, Toon van Vliet en Wessel Ilcken – een helaas nu uitgestorven jazzgeneratie.

Een passie voor jazz kreeg Van Rooyen op zijn zestiende, toen hij met het orkest van Tom van der Stap naar Nederlands-Indië ging om de Nederlandse militairen ter plaatse te amuseren. „Via jongens van het consulaat in Batavia hoorden we lp’s. Vroege bebop van Charlie Parker, Dizzy Gillespie; ik wist niet wat ik hoorde. Het leek me compleet onbereikbare muziek.” Een groot bewonderaar werd hij van de jonggestorven trompettist Clifford Brown.

Dienstbare speler

Als trompettist en bugelspeler maakte Van Rooyen deel uit van de vroegste moderne jazzgeneratie in Europa. Hij speelde in vele orkesten (The Ramblers, The Skymasters, het orkest van Bert Kaempfert) en hij maakte veel platen met artiesten uit binnen- en buitenland. Medeoprichter was hij van het internationale United Jazz + Rock Ensemble. Jazzmusici als Clark Terry en Gil Evans vroegen hem mee voor Europese tournees.

Bewust heeft Van Rooyen zich in zijn carrière weinig gepositioneerd als bandleider. Niks solistenbravoure. Hij was, en is nog altijd, een vooral dienstbare speler, een trots onderdeel van een geheel. „Als je bands wilt leiden zit je de hele dag aan de telefoon om gigs te regelen. En steeds weer nieuw repertoire maken. Daar was ik niet geschikt voor.”

Ack van Rooyen: „Ik was zelf nooit een highblower, geen harde blazer.” Foto Andreas Terlaak

Uitgeschreven muziek in orkesten werd altijd zo perfect mogelijk uitgevoerd, als leadtrompettist gaf hij richting. Maar als jazzmuzikant ben je ook zo goed als je laatste solo, weet hij. „Improviseren is als een gesprek met jezelf. Je moet je instrument zo goed beheersen dat je bijna kunt spelen wat je hoort. En ten tweede: hoor de ander. Je voelt wat er na die frase kan komen, wat een antwoord kan zijn. Het is een gesprek via tonen.”

Ondanks zijn hoge leeftijd blijft Ack van Rooyen optreden. Bezeten van het vak, net als zijn vakgenoten. Zijn toon is bovendien nog mooi, zijn gevoel voor timing onveranderlijk sterk. „Als het blazen niet meer gaat, houdt het vanzelf op”, zegt hij. „Maar uit mijzelf stoppen is nog nooit bij mij op gekomen. In principe ga je als jazzmuzikant niet met pensioen. Dat bestaat gewoon niet.”

Dat zijn embouchure goed bleef, is geluk hebben. Dagelijks zoekt hij weer even „de plaats op zijn lip”. Er zijn genoeg voorbeelden van jazztrompettisten die hun lippen beschadigden. „Ze speelden in een hoog volume. Dat zet constante druk op dat kleine stukje vlees. Ik was zelf nooit een highblower, geen harde blazer.”

Maar wie trompet kiest zit nooit op de achterste banken, aldus Van Rooyen. „Dan heb je wat te zeggen. Al leerde ik met de jaren dat als je enkel voor jezelf staat te spelen het puur uitsloverij is. Zonder ego kun je niet spelen. En te veel is ook weer niets.”

Wat hij nog zou willen maken? Een album met een strijkorkest, zegt hij direct. Zoals hij ooit Colores (1991) opnam met het Metropole Orkest? „Ik ben heel gecharmeerd van Braziliaanse muziek. Je kunt dan niet om muziek van Jobim heen, maar er is nog veel meer.” Hij wil er niet te lang mee wachten. „Dit jaar, hoop ik. De wijzer van de klok tikt meedogenloos door.”

Het Ack van Rooyen Quintet speelt 13/2 tijdens Hot House Hoorn in Het Huis Verloren, Hoorn. Inl: huisverloren.nl