Duits beleggingsfonds eist bronbelasting terug

Economie en Recht Deze rubriek belicht elke week kwesties uit het bedrijfsleven waarover de rechter zich onlangs uitsprak. Ditmaal: Europees recht.

Kantoor van KA Deka. Foto Silas Stein
Kantoor van KA Deka. Foto Silas Stein

Het Duitse beleggingsfonds KA Deka eist 690.000 euro van de Nederlandse fiscus. Het gaat om belasting die in de jaren 2002 tot en met 2008 is ingehouden op dividenden die KA Deka heeft ontvangen van Nederlandse bedrijven waarin het aandelen bezat. Was KA Deka een Nederlands fonds geweest dan had het deze ‘bronbelasting’ teruggekregen. Het Duitse fonds voldeed niet aan de voorwaarden voor teruggaaf. Het geschil, dat in een groot aantal vergelijkbare rechtszaken over buitenlandse beleggingsfondsen speelt, werd door de rechtbank Zeeland-West-Brabant voorgelegd aan de Hoge Raad. Die vroeg weer advies aan het Europees Hof over de Europese spelregels: is hier sprake van een toegestaan verschil in behandeling of niet?

In zijn uitspraak van eind januari wijst het Hof erop dat de belastingstelsels van de EU-landen niet zijn geharmoniseerd. Het staat de lidstaten daarom vrij hun belastingregime naar eigen inzichten in te richten. Maar deze fiscale autonomie wordt begrensd door de noodzaak om de fundamentele vrijheden te waarborgen die in de Europese verdragen zijn verankerd, in dit geval het vrije verkeer van kapitaal. Zo mogen de lidstaten buitenlandse beleggers, net als binnenlandse belastingplichtigen, aan bepaalde voorwaarden onderwerpen om te beoordelen of zij voor toekenning van een, in dit geval Nederlands, belastingvoordeel in aanmerking komen.

Kiest een buitenlands fonds, zoals KA Deka doet, voor een beleggingsmodel (global stream system) waarin een beoordelingstoets niet mogelijk is, dan hoeft Nederland daar niet voor op te draaien. Maar als Nederland teruggaaf weigert omdat het Duitse fonds zijn beleggingsresultaat niet naar Nederlandse maar naar Duitse maatstaven uitkeert, dan is sprake van een verboden belemmering van het vrije kapitaalverkeer. Met deze uitspraak ligt de bal weer op het bord van de Hoge Raad.

Uitspraak: ECLI:EU:C:2020:51