Recensie

Recensie Beeldende kunst

De beelden van Mark Manders: groot, mooi en ongrijpbaar

Tentoonstelling ‘Uitgestelde explosies’ noemt Mark Manders zijn kunstwerken. Zijn expositie in het Bonnefantenmuseum voelt als een gebouw: via de intieme huiskamer, door de sereniteit van een museum, naar het atelier. (●●●●●)

Mark Manders, Mind Study, 2010-2011. Collectie Bonnefantenmuseum, courtesy Zeno X Gallery.
Mark Manders, Mind Study, 2010-2011. Collectie Bonnefantenmuseum, courtesy Zeno X Gallery. Foto Jan Kempenaers

Het is onmogelijk er niet aan te denken. Aan de dode dieren die de Britse kunstenaar Damien Hirst onthoofdde (een koe), op sterk water zette (een haai, zebra, een lammetje) en in glanzende vitrines toonde. Hirst vertolkte met zijn super esthetische memento mori’s de kilte van de rijke jaren negentig – en echt warm werd het bij hem nooit. Het omgekeerde geldt voor het dier – of het restant daarvan – dat de Brabantse, maar inmiddels internationale ster Mark Manders (1968) op een overzicht in het Bonnefantenmuseum in Maastricht laat zien. Dat overzicht is schitterend, want bewijst dat Manders’ werk, hoe groot en mooi ook, in essentie ongrijpbaar blijft, raadselachtig en ja, zelfs magisch.

Manders’ dier in kwestie heet, vrij prozaïsch, Unfired Clay Animal. Volgens het bordje dat vlak bij de grote vitrine hangt waarin het dier is neergevlijd, komt het werk uit de jaren 2014-2020. Dat is niet raar voor iemand als Manders, die zijn hele kunstenaarsleven lang al volhoudt dat al zijn werk is ontstaan in 1986, toen hij besloot om in plaats van schrijver beeldend kunstenaar te worden. Deze gedachtegang leidt ertoe dat géén van de circa dertig werken in het overzicht te dateren zijn met één jaartal. Tijd, geeft Manders daarmee aan, is een vloeiend gegeven. En werk – of het nu gematerialiseerd is in 1996, 2006 of 2016 – komt allemaal voort uit een gedachte die al langer door het hoofd en de handen van de kunstenaar speelt. ‘Uitgestelde explosies’ noemt hij dat.

Mark Manders, Still Life with Thin Red Rope, 2015-2016. Courtesy Zeno X Gallery

Foto Peter Cox

Unfired Clay Animal lijkt op iets wat het midden houdt tussen een hond en een hert. De voorpoten ontbreken, ogen en oren zijn afwezig, de achterpoten zijn zo opgetrokken dat het lijkt alsof het dier net is gaan slapen. Het beeld ziet eruit, zoals vaker bij Manders, alsof het van klei is. Van die vette, die tijdens het opdrogen is gebarsten en gletsjerspleten van kloven heeft achtergelaten in de huid. Dat geeft het werk iets extreem zinnelijks – heel anders dan de ongenaakbare dode dieren van Hirst. Die huid van klei – altijd een beetje stoffig, korrelig – zorgt er ook voor dat je als kijker denkt: kijk ik nu naar iets doods wat net is opgegraven, of ontstaat hier iets nieuws, groeit hier een nieuw wezen tevoorschijn uit de oermaterie?

Klei is geen klei

Die raadselachtigheid doordesemt heel Manders’ werk. Zowel in materiaal als in concept. Want wacht: de klei van Manders lijkt alleen maar op klei – in werkelijkheid is het in brons of epoxy nagemaakte en beschilderde ‘klei’. Ook Manders’ bekendste, tussen verticale houten en soms licht gekleurde latten geklemde gezichten, zijn in werkelijkheid van taai brons. Ze duwen de kijker omver, niet alleen vanwege de intense stilte die ze uitstralen, maar ook door dat materiaal. Wat je ziet en wat je denkt – wow, wat heeft de kunstenaar hier prachtig staan kneden – klopt helemaal niet.

Al lang zegt Mark Manders zelf dat zijn werk allemaal onderdeel is van een gebouw. Dat gebouw noemt hij een zelfportret. Daarin kunnen tekeningen ‘wonen’, maar ook kleine beelden, installaties, complete atelieropstellingen. In het Bonnefanten is geprobeerd iets van zo’n gebouw-sfeer op te roepen. De kijker komt binnen via tafelmodellen die staan opgesteld alsof je in een huiskamer bent. Vervolgens loop je door de sereniteit van een museum, en je eindigt in het atelier. Het gebouw als zelfportret is een weids uitgemeten theorie van Manders – maar wat dit overzicht vooral laat zien is dat hij die theorie allang niet meer nodig heeft. Sterker nog: het werk zelf ondergraaft met al zijn paradoxen en tegenstrijdigheden die theorie.

Gestolde gedachte

Waar het werk vooral over spreekt – met als sterkste voorbeeld de beelden in de ruimtes die als atelier zijn ingericht – is het wonder van het maken. Dat je van niets iets maakt. Dat je alles kunt gebruiken wat je weet, leest en ziet. Dat je een gedachte hebt, die kan stollen in een beeld dat concreet bestaat en weer andere gedachten oproept. Dat dit maken ook altijd gepaard gaat met jezelf overgeven aan iets anders – een intuïtieve kracht, zoals wanneer je pianospeelt zonder muziekpapier en je vingers naar toetsen grijpen die je hersens vergeten zijn.

Mark Manders, Room with Unfired Clay Figure, 2014

Foto Georgios Kefalas

In Manders’ zogenaamde atelier in Maastricht zijn wanden van doorzichtig plastic opgesteld. Bij iedere voetstap die je zet ritselt het, heel zacht, zoals een windvlaag onverwacht een tak met bladeren hoog in een boom kan laten ritselen. Onderweg passeer je tuinstoelen, kuipen vol zand, houten schragen, plastic emmers en het paar schoenen dat de kunstenaar heeft achtergelaten. Er zijn in dit atelier werken te zien. Zijn ze voltooid? Het doet er niet toe. Misschien moeten ze nog verder groeien, verder weken. Misschien verdwijnen ze ook wel, gaan ze weer op in iets anders. Zoals dat gaat als tijd geen rol speelt, een begin jaren lang kan duren en het einde vaak razendsnel gaat.