Reportage

‘Spelen achter de flat is heel gevaarlijk’

De L-flat in Zeist heeft 728 huisnummers. NRC portretteert de flat en zijn bewoners. Vandaag: Suus, een tiener op vijfhoog. Tekst
Suus (13) woont sinds haar tweede in de L-flat. Zij en haar moeder willen verhuizen. Hun appartement is groot, maar Suus wil liever „minder buren”.
Suus (13) woont sinds haar tweede in de L-flat. Zij en haar moeder willen verhuizen. Hun appartement is groot, maar Suus wil liever „minder buren”.

Lees de online versie van dit artikel op nrc.nl/flat

Hoog in de boom bungelen gympen. De aan elkaar geknoopte veters zijn om een tak blijven hangen. Suus kijkt ernaar door haar woonkamerraam op vijfhoog. „Mensen hebben er een hele kunst van gemaakt om dingen in bomen te gooien. In de boom hiernaast hangen vaak volle luiers. Dat is ook altijd heel fris.”

Suus is dertien. Ze heeft blauwe ogen en oranje haar met een lichte slag. In haar spijkerbroek zitten bedoelde scheuren. Ze zit in 2-vwo, op rugby en op schaken. In de L-flat woont ze sinds ze twee jaar oud is, samen met haar moeder.

Op het gazon speelde Suus niet

Het gazon waarboven de gympen bungelen, aan de achterkant van de flat, had een mooie speelplek voor kinderen kunnen zijn, denkt Suus. Een lange strook gras, erachter bomen en struiken. Maar Suus heeft hier als klein meisje nooit gespeeld. „Omdat het niet mocht van mijn moeder. En omdat het er te ranzig was voor woorden.” Te ranzig ís, zegt ze. „Er liggen smerige etensresten te verrotten.” En mensen gooien dus dingen naar beneden. „Laatst nog tijdschriften, en een volle vuilniszak. Daar spelen is gewoon heel erg gevaarlijk.”

Toen ze kleiner was zat Suus ’s zomers graag in een boom achter het grote parkeerdek. „Het was de enige plek waar ik een beetje rustig kon zitten. Dat vind ik altijd heel erg fijn.”

De L-flat heeft acht portieken. Maar de flatvrienden van Suus – Alend, Daniël en Joost – wonen allemaal in portiek één. „De flat is zo groot. Je kúnt andere mensen niet echt leren kennen.” De sfeer bij de portieken „verderop” is bovendien niet leuk, vertelt ze. „Ze gooien daar ook dingen aan de vóórkant naar beneden. Mijn moeder werd een keer bijna geraakt door een pak vla.”

Ze ging afgelopen zomer met haar moeder en een vriendje uit portiek één een keer basketballen bij de basisschool achter de L-flat. Kwamen er ineens jongens aan die het veld claimden. „Kinderen die alles verzieken om zo maar te zeggen. Het heeft geen zin daarop in te gaan. We zijn uiteindelijk weggegaan.”

Suus verbaast zich vaker over het gedrag van flatbewoners. In portiek twee was er een pestkop, vertelt ze. Die schold een verstandelijk gehandicapte jongen uit, Julian, van eenhoog. Julian staat vaak voor zijn raam naar buiten te kijken, vanaf de stoep is hij dan goed te zien. „Die pestjongen schold Julian uit voor ‘mongool’”, zegt Suus. Ze sprak de jongen erop aan. ‘Je gaat nu stoppen’, zei ze, ‘want het slaat nergens op wat je aan het doen bent en hij kan heus alles horen ook al is het dubbel glas.’ De jongen hield op met schelden, zegt Suus. „Of in elk geval niet meer met zo’n harde stem.”

Er wonen ook mensen met psychische problemen in de flat, zegt ze. „Mensen voor wie in de zorg geen plek is”. Ze vindt dat sneu. „Dan lijkt het net alsof iedereen zegt: zoek het zelf maar uit want wij gaan je niet meer helpen.” Toen Suus kleiner was, was er een man die riep dat hij de flat wilde opblazen. Een andere bewoner knipte keer op keer de kabels door van liften in de L-flat. Die kreeg als bijnaam ‘Jack the Knipper’.

Een paar jaar geleden was er een man, geen bewoner, die Suus en anderen weleens om kleingeld vroeg. „Hij had altijd een smerige lucht om zich heen hangen”, zegt ze. „Eén keer kwam hij veel te dichtbij. Toen heb ik hem gewoon aan de kant geduwd.” Een vroegere buurman van Suus belde ’s nachts bij mensen aan en raakte ook een keer verzeild in een gevecht op de galerij. Suus was toen klein. „Ik zag dat hij bloed had op zijn hoofd.” Nu heeft ze normale buren.

Wat vindt ze wél leuk aan de flat? Hun appartement, zegt ze. Dat is groot. „Verder heb ik niet echt positieve punten.” Ja, het uitzicht vindt ze mooi – „als je tussen de troep doorkijkt.”

Suus en haar moeder willen verhuizen. „We staan al een hele tijd ingeschreven. Maar de wachtlijst is lang.” Het liefst wil ze een huis met een tuin. „Het hoeft niet groot te zijn. Maar wel dat je minder buren hebt, zodat je elkaar beter kent. Dan is de kans op troep ook minder groot.”

Volgende aflevering: Julian, de gehandicapte jongen. Zie nrc.nl/deflat en de Achterpagina van aanstaande zaterdag