Opinie

Republikein

Marcel van Roosmalen

Het Republikeins Genootschap riep me uit tot Republikein van het Jaar. Of ik me op de nieuwjaarsborrel wilde laten toejuichen? Eerste gedachten na binnenkomst: de revolutie laat nog wel even op zich wachten, en mocht de vlam onverhoopt in de pan slaan, dan nog hoeven de straten rondom de paleizen niet te worden afgezet.

Ze zaten nog volop in een republikeinse pubquiz, maar desalniettemin bleef mijn komst niet onopgemerkt. De voorzitter van het Republikeins Genootschap, de penningmeester, een meneer met een snor uit Maastricht, een vrouw met een button met de tekst ‘Oranje blanje beu’ die ze al sinds de kroningsrellen van 1980 consequent droeg en de Republikein van vorig jaar, de auteur Gerard Aalders, hadden me al snel omsingeld.

Ik wist eigenlijk weinig te zeggen, maar ze hadden mijn sympathie en ik de hunne, want anders hadden ze me niet gekozen.

Over de eretitel gesproken: wat werd er eigenlijk van mij verwacht?

„Helemaal niets”, werd er gezegd, „u heeft het al gedaan.”

Ze waren al blij dat ik was gekomen, ze hadden jaren gekend waarin de Republikein van het Jaar geen tijd had om naar zijn uitverkiezing te komen.

Even later stond ik als een gebraden haan op een bierkrat met een haperende microfoon en een toespraakje.

„Harder!”, riepen ze terug.

Veel leden van het Republikeins Genootschap hebben last van de oren.

Vraag uit de zaal: Of ik mee een paar keer per jaar mee wilde brainstormen over hoe de republiek er straks uit moest zien. Liever niet eigenlijk, ik was meer van de juiste volgorde: eerst de monarchie maar eens weg.

Voor die opmerking werd geklapt.

Iemand van de organisatie zei maar eerlijk dat hij de belangstelling van de pers – nul journalisten – een beetje vond tegenvallen, maar dat hoefde ik me niet persoonlijk aan te trekken. Of ik met de voorzitter wilde poseren voor de fotograaf van de website, zodat ze online een slinger aan konden geven? Ik gaf de voorzitter meerdere keren een hand, net zo lang tot het logo van het Republikeins Genootschap er ook goed op stond.

Daarna informeerde de voorzitter me over de mogelijke negatieve consequenties, een hoge functie bij de overheid en een Koninklijke onderscheiding kon ik verder wel vergeten. De glans ging er zo wel snel van af, concludeerde ik voorzichtig, maar die kwam snel terug toen een wat oudere republikein me even later ongevraagd begon te vertellen waarom hij mij een prima boegbeeld vond.

„Omdat we zo van het stigma dat wij een zootje chagrijnige oude mannen zijn af komen.”

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.