Het vissersmonument in Urk – ter nagedachtenis aan verdronken Urker vissers – werd op 11 mei 1968 onthuld door toenmalig koningin Juliana.

Foto Nationaal Archief

Interview

Ineens keken de vissersdorpen niet meer uit over de Zuiderzee

Eva Vriend, journalist en auteur

De Zuiderzeewerken gelden als een Nederlands succesverhaal. Maar niet voor de voormalige kustbewoners. Zij hadden juist het gevoel dat hun iets werd ontnomen.

Begin deze maand presenteerde opiniemaker Rutger Bregman het essay Het water komt. In deze ‘brief aan Nederland’ houdt hij Nederlanders een spiegel voor. Zijn boodschap: als we niet nú in actie komen, komt Nederland opnieuw onder water te staan, net als tijdens de Watersnoodramp in 1953.

Deze maandag presenteert journalist Eva Vriend haar boek Eens ging de zee hier tekeer, dat over de gevolgen van die ándere grote watersnoodramp gaat – die van 1916. Toen kwamen onder meer grote delen van het kustgebied van de toenmalige Zuiderzee onder water te staan.

Na die ramp was de publieke opinie ineens rijp voor twee drastische ingrepen, die al door ingenieur Cornelus Lely waren voorzien: de bouw van de Afsluitdijk (‘gedicht’ in 1932) en de inpoldering, waardoor de provincie Flevoland ontstond.

Het zoute water werd eerst zilt, toen brak en uiteindelijk zoet, en aan de Zuiderzeevisserij, sinds eeuwen de broodwinning van de bevolking, kwam een einde. Aanvankelijk was er bij de bevolking veel weerstand tegen die plannen, vertelt Arie ter Beek, directeur van Museum Spakenburg. „Maar de bevolking kon uiteindelijk leven met het besluit, al had de geul tussen het oude en het nieuwe land wel een stuk breder gemogen.”

Lees ook: Cornelis Lely: de man van de drooglegging van de Zuiderzee

Tal van kustplaatsen werden zo van het water afgesloten. Vandaag de dag is Spakenburg een vissersdorp zonder vissers. Spakenburg deelt dit lot met plaatsen als Wieringen, Volendam en Urk, de andere dorpen die centraal staan in Vriends boek. Hoewel met name die laatste gemeenschap het vissen nog niet heeft opgegeven, veranderde het eiland Urk in een onderdeel van de Noordoostpolder.

In Museum Spakenburg licht Vriend haar werkwijze toe: „Ik heb jarenlang kopjes koffie gedronken om de verhalen van voormalige kustbewoners op te tekenen.”

‘Aversie tegen mij’

Vriend groeide zelf op in de Noordoostpolder en publiceerde in 2014 het boek Het Nieuwe Land over de geschiedenis van Flevoland. Het was tijdens de lezingen over dit boek in voormalige Zuiderzeegemeentes dat zij het idee voor haar nieuwe boek opdeed. „Ik merkte dat er een bijna fysiek soort aversie tegen mij bestond bij de bibliotheken, vrouwengroepen en historische genootschappen. Echt uitgesproken werd het meestal niet, maar het was gewoon tastbaar. Ze zagen me als zo’n arrogante schrijfster uit de Noordoostpolder die denkt dat de polder alleen maar het beste heeft gebracht.”

Kustgebied van de Zuiderzee in 1916 onder water

Maar, zo zegt Vriend, toegegeven: „Bij het beschrijven van de geschiedenis van Flevoland heb ik er nooit bij stilgestaan hoe het voor die gemeenschappen was om opeens tegen een nieuwe provincie te moeten aankijken.”

Perspectief van overwinnaars

De geschiedenis van Flevoland wordt vaak beschreven vanuit het perspectief van de overwinnaars. En dus kwamen afsluitdijk en inpoldering samen met de Deltawerken in de 20ste eeuw symbool te staan voor hoe een klein volk de eeuwenlange strijd tegen het water wist te winnen dankzij innovatieve ingenieurs. Vriend: „In de 19de eeuw golden juist deze vissers als de oer-Nederlander. Tot na de Tweede Wereldoorlog werd eugenetisch onderzoek verricht naar de specifieke eigenschappen van deze mensen. Met name op de eilanden als Urk en Schokland, waar men eeuwenlang in relatieve isolatie leefde. En nu was er ineens een nieuw ideaaltype: dat van de ingenieur, die met indrukwekkend materieel land uit water maakte.”

Op de inwoners van de voormalige kustgemeentes maakten de baggerboten en gemalen ook wel indruk. Toch overheerste lange tijd het gevoel dat hun iets ontnomen werd. Dat gevoel contrasteert met de economische feiten: de gemeenschappen presteren boven het landelijke gemiddelde. Vriend: „De veerkracht van deze dorpen is indrukwekkend. Ook in de families die ik volgde, zag je hoe visserszonen als ondernemer grote internationale firma’s zijn begonnen. Innovatief zijn ze meestal niet, maar ze werken hard en voeren verstandig, behoudend financieel beleid. Sociologen spreken van ‘asynchrone modernisering’: in de Zuiderzeedorpen is men economisch vooruitstrevend, maar cultureel behoudend.”

Dat culturele conservatisme – „Men is hier bijvoorbeeld meer op elkaar gericht dan op de buitenwereld” – moet volgens Vriend niet met benepenheid worden verward. „Het is veel meer een trots soort weerstand. Het gevoel van: ‘Ze hebben ons onze status van dorp aan zee of eilanddorp al afgenomen, maar onze identiteit blijft van ons.’ Bij discussies over windmolenparken in het IJsselmeer zie je dat sentiment nadrukkelijk opspelen: ‘Niet ook nog ons laatste beetje uitzicht.’”

Mythe en realiteit

Die eigen cultuur die de havendorpen willen behouden, is volgens Vriend deels mythe en deels realiteit. „Waar de rest van het land het water zag als iets dat getemd moest worden, hadden de Zuiderzeegemeenschappen een geheel andere verhouding tot het water. Vanaf hun twaalfde gingen jongens al het water op. Hun hele leven brachten ze soms door op zee. En niet alleen zijzelf en hun families leefden daarvan, er waren veel andere bedrijfjes die de visserij ondersteunden.”

In een tijd waarin tot nieuwe Deltawerken wordt opgeroepen en waarin boeren en vissers door de overheid met ‘warme saneringen’ worden verleid tot stoppen of verandering, kan het volgens Vriend, zelf een boerendochter, geen kwaad een les te trekken uit de Zuiderzeegeschiedenis. „Bij boeren en vissers is hun werk diep verbonden met hun identiteit. Dat vraagt om een andere benadering. Het enige dat deze vissersfamilies kregen, was hulp bij de omscholing naar ander werk.” Pas in de jaren vijftig, toen de groep vissers gedecimeerd was, was er sprake van daadwerkelijke financiële compensatie, zegt Vriend.

De auteur hoopt dat bij toekomstige groot projecten meer rekening wordt gehouden met de gevoelens van overmeestering en verlies die dat met zich mee kan brengen. Minister Carola Schouten (ChristenUnie, Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) gaat ook over het IJsselmeer en de visserij. Zij geeft volgens Vriend het goede voorbeeld: „In al haar notities en documenten stelt ze dat de specifieke culturele identiteit van de kustdorpen moet worden gerespecteerd. Alleen zo krijg je ze mee.”