Hoe Brabant en Baudet inzet werden van de sluimerende strijd in Rutte III

Deze week: ingelast Catshuis-beraad om de coalitie staande te houden, en Baudet en Brabant als nieuwe complicaties.

Ofwel: als een vooraanstaand coalitiepoliticus verzucht: „Ja, dit kan helemaal misgaan.”

Haagse coalities hebben soms iets van gedwongen samenwerking. Ze dragen zo veel onderlinge concurrentie met zich mee dat ze bijna alleen stroperigheid produceren.

Dit is binnenskamers al jaren het verhaal van Rutte III – en het verhaal van CDA en VVD binnen Rutte III.

Electoraal zijn de twee vrijwel communicerende vaten: gaat het goed met de VVD (en dat is door Rutte al sinds 2010 het geval), dan lijden vooral christen-democraten daaronder.

Vandaar dat het CDA de premier in deze coalitie op lastige momenten niet vanzelfsprekend helpt. Rond de jaarwisseling stond de partij er beter voor dan de VVD. Het stikstofdossier schoot niet op, demonstranten domineerden het straatbeeld: het imago van Rutte als fikser verzwakte.

Intussen vierden christen-democraten hun talent. Wopke Hoekstra als stabiele schatkistbewaarder die op sociale media een geloofwaardige amateurbokser neerzet. Hugo de Jonge als man met strenge opvattingen over migratie en een groot hart voor de zorg.

Het onderstreept de dubbelzinnigheid van ons politieke stelsel. Een prettige collega in het kabinet kan tegelijk de opponent zijn die je electoraal wilt vernietigen. Deze hele coalitie neemt dit voortdurend waar.

Dus dit was globaal ook de situatie toen de coalitie er deze week twee vraagstukjes bij kreeg: Baudet en Brabant. Bij de FVD-leider betrof het een abjecte tweet, in Brabant een bestuurlijke impasse.

En het fascinerende was: de twee thema’s verknoopten zich met elkaar, waarbij de VVD zodanig manoeuvreerde dat het CDA in de week in een lastig parket beëindigde.

Vrijdagmiddag verzuchtte een bekende coalitiepoliticus: „Ja, dit kan helemaal misgaan.”

En Rutte III hééft het al zo moeilijk met zichzelf. Vorige week schetste ik dat de coalitiepartijen ongemakkelijk vroeg in een campagnestand terecht zijn gekomen, zodat de kans klein is dat er nog beleid van betekenis uitkomt.

In de coalitietop zagen ze dit ook. Vandaar dat de premier en VVD-fractievoorzitter Klaas Dijkhoff vorige week het initiatief voor een avondje hardop denken namen: hoe houden we de coalitie heel?

Het leidde afgelopen donderdagavond, vanaf half acht, tot een ingelast beraad op het Catshuis. Je hoorde achteraf dat er mooie woorden waren gesproken. Rekening houden met elkaar. Doorzetten. De laatste kans voor het politieke midden.

En er passeerden genoeg thema’s – woningmarkt, arbeidsmarkt, migratie – die volgens coalitiepartijen een urgente aanpak verdienen. De meeste fractievoorzitters en aanwezige bewindslieden verlieten de bijeenkomst, hoorde ik, in een opgebeurd gemoed.

Maar deze coalitie voelt voortdurend als een emotionele achtbaan – want vrijdagmorgen vervloog het goede gevoel bijna meteen.

Bij de ChristenUnie waren ze ontzet over een stuk op de website van RTL Nieuws, waarin anonieme coalitiebronnen de daadkracht van vicepremier Carola Schouten bekritiseerden. Bij CDA en D66 sijpelde het nieuws door dat de VVD in Brabant bereid was te gaan onderhandelen met FVD, nadat eerder het CDA die optie opperde.

Het leidde er korte tijd later toe dat D66-voorman Jetten naar buiten kwam met de kritiek dat CDA en VVD „hun principes overboord gooien”. En binnen het CDA rijpte het besef dat een nieuw partijdebat over samenwerking met nationalistisch rechts dreigde; hetzelfde debat dat de partij na de gedoogcoalitie met Wilders in 2010 voor jaren in het defensief drukte.

De ironie van die bestuurlijke impasse in Brabant is dat die nauw verweven is met de stikstofcrisis die de landelijke politiek al zo lang verlamt.

Het stikstofbeleid in die provincie was in handen van een brede coalitie, met oud-voorzitter Rik Grashoff (GroenLinks) als verantwoordelijk gedeputeerde. Zijn (strenge) uitleg van het landelijk beleid werd oktober vorig jaar ook door de Brabantse coalitiepartijen CDA en VVD gesteund. Maar het Farmers Defence Force (FDF) bedreigde daarop het CDA. Die partij ging zwabberen, trok zijn gedeputeerden uit de coalitie terug, en blies de samenwerking in december op. De Brabantse VVD verdedigde de coalitie toen nog.

Twee rapporteurs schetsten maandag de ontstane impasse, waarbij het provinciale CDA „voorkeur” voor samenwerking met FVD uitsprak. Na aanvankelijke aarzeling sloot de VVD zich dagen later, vrijdag, alsnog aan bij het CDA.

Op dat moment ging het al een week over Baudets pijnlijke tweet, waarin hij NS-controleurs en een agent typeerde als „Marokkanen” die „dierbare vriendinnen” zouden hebben „lastig gevallen” in de trein. De FVD-voorman zag zich maandag gedwongen dit recht te zetten.

Maar berouw of introspectie bleek hij niet te hebben. Tegen een interviewer van Jinek zei hij donderdag dat er „genoeg intimidatie op straat” is om zijn foutieve tweet te rechtvaardigen.

Het was helemaal Baudet: zo veel eigenliefde dat er nooit belangstelling overblijft voor mensen die hij benadeelt.

De politieke kant van de zaak, in Brabant en landelijk, was ook al niet erg verheffend.

De opmerkelijke lenigheid van de Brabantse VVD zou snel vergeten worden, want zoals bij de gedoogcoalitie met Wilders bleek, bestaat in de VVD-achterban beperkte weerzin tegen samenwerking met nationalistisch rechts.

Ook Rutte reageerde vrijdag nonchalant. Hij sloot nieuwe samenwerking met Wilders in 2017 uit omdat de PVV-voorman „stelselmatig bevolkingsgroepen beschimpt en beledigt”. Maar het verschil tussen Baudet en Wilders lijkt me op dit punt verwaarloosbaar. Ook zijn statement dat de VVD verder „nooit partijen uitsluit”, is natuurlijk kletskoek: zijn partij dankte haar groei in de jaren zestig en zeventig mede aan haar weigering tot samenwerking met de PvdA.

Het neemt allemaal niet weg dat dit thema, nu het zoveel landelijke aandacht krijgt, in het CDA vele malen gevoeliger ligt. Een fors deel van de achterban is hier principieel op tegen. Zoals een Haagse christen-democraat vrijdag zei: „Hoe noordelijker je in het land komt, hoe groter de weerzin van onze kiezers.”

Dus de vraag wordt of de formule die het CDA koos – partijafdelingen bepalen zelf met wie ze samenwerken – houdbaar zal zijn. En zelfs als dat zo is, bleek me vrijdag uit een snel belrondje dat je genoeg CDA’ers zult houden die zich hier niet zomaar bij neerleggen.

Dus tactisch was de manoeuvre van de Brabantse VVD zeer slim, in die zin dat ze het CDA hiermee ook landelijk een fiks probleem bezorgt.

Tegelijk is het dilemma dat de zwakte van dit type nationalistisch-rechtse partijen pas blijkt als ze besturen. Met de gedoogconstructie uit 2010 bezorgde Rutte Wilders een electorale klap, en ontnam hij hem voor altijd zijn geloofwaardigheid als regeringspartner.

Al neemt dit de principiële bezwaren tegen een man als Baudet natuurlijk niet weg.

Maar er zit ook een ander dilemma in dit hele drama verscholen. We kijken nu een kleine tweeëneenhalf jaar naar een klassieke middencoalitie die amper functioneert. Dat is omdat de juniorpartners in zulke coalities deze eeuw bijna allemaal electoraal afgestraft zijn, en dus zit er ook logica in de keuze van de huidige coalitiepartijen om tijdens het regeren vooral aan zichzelf te denken.

Ergo: wat deze week vanuit Brabant de landelijke politiek binnenkwam, is ook het gevolg van een keuze die de kiezer deze eeuw stelselmatig maakt: wie middenpartijen stelselmatig wegstemt nadat ze hebben geregeerd, moet natuurlijk niet verbaasd opkijken als dat uiteindelijk ook flankpartijen in het zadel helpt.