Vurrukkulluk Vondelpark

Literaire plekken Guus Luijters schrijft op gezette tijden over de literaire plekken van Amsterdam.

Als ik aan de zomer van 1961 denk, en dat doe ik wel eens, denk ik aan onze eindeloze gesprekken, op de fiets, op zolderkamers en terrassen. Al die gesprekken zijn in het niets verdwenen. Op één na. Een gesprek binnen het gesprek dat begon als iemand achteloos zei: „Hoe is het IJs van Moos?” Waarop jij dan bescheid gaf met: „Het IJs van Moos is Zó.”

Waarmee de kous niet af was, want onveranderlijk was er dan iemand die opmerkte dat dit eigenlijk oplichterij was, want Moos was verleden zomer de pijp uitgegaan en nu was het IJs van Bram. Dus „op zijn hoogst zou je kunnen zeggen: het IJs van Moos wàs Zó! of het IJs van v/h Moos is Zó!”

Het is bijna zestig jaar geleden dat ik deze zomerse dialoog van Remco Campert voor het eerst las, en ik word er nog steeds vrolijk van. „Het leven is vurrukkulluk”, zegt Panda in de eerste zin van Het leven is vurrukkulluk. Het is Camperts variant op het ‘Doukipudonktan’ (‘Allumensusdammunstankier’, vertaalde Jenny Tuin) waarmee Raymund Queneau een paar jaar eerder zijn Zazie dans le métro begon.

Er zit een hoop Queneau in Het leven is vurrukkulluk. Ik had daar geen weet van in 1961 en toen ik er een paar jaar later weet van kreeg, kon het me niet schelen; eerlijk gezegd vond ik Camperts taalgrapjes vaak leuker dan die van Queneau.

Het leven is vurrukkulluk is de roman van een zomerse zondag. Welke zondag en in welke zomer weten we niet. Campert laat het Nederlands elftal met 5-3 van België verliezen, maar Nederland heeft nooit met 5-3 van België verloren en in die dagen werden er in de zomer nog geen interlandwedstrijden gespeeld. Het verhaal, voor zover er sprake is van een verhaal, speelt in en om het Vondelpark en gaat over Boelie, Mees en Panda. Boelie (dichter) en Mees (pianist/componist) lijken afsplitsingen van Campert, en de vijftienjarige Panda is vooral aantrekkelijk. Verbazingwekkend hoeveel meisjes in die dagen Panda wilden heten.

Het Vondelpark ligt er prachtig bij. Het is opmerkelijk hoe het park van nu nog lijkt op het park van toen. Zo loop je probleemloos naar ‘het zomergroene kruispunt van twee zomergroene lanen’ waar een blauwe ijskokar met witte letters weten laat hoe het IJs van Moos is. (Zó!) Het Blauwe Theehuis is ook nog heel herkenbaar. Als Kees Bakels (grijsaard) en Rosa Overbeek (juffrouw van de retirade) daar het vervolg van hun romance uit Theo Thijssens Kees de jongen beleven, is de liefde tussen Mees en Panda alweer bekoeld.

Inmiddels zijn ze zo oud als Rosa en Kees waren toen Campert ze herenigde. Wie weet ontmoeten ze elkaar een dezer dagen om hun in Het leven is vurrukkulluk zo hartstochtelijk begonnen romance een tweede leven in te blazen.

Guus Luijters schrijft hier op gezette tijden over de literaire plekken van Amsterdam.