Recensie

Recensie Boeken

Na een ongeluk verandert deze succesvolle vijftiger in een gevaarlijk impulsief mens

Neuropsychologie De Britse neuropsycholoog A.K. Benjamin bundelde voor zijn indringende boek verhalen van patiënten met hersenletsel wier gedrag op bizarre wijze veranderde. (●●●●)

Op het eerste oog is Laat me toch niet gek zijn van de Britse neuropsycholoog A.K. Benjamin (een pseudoniem) een vrij traditionele verzameling gevalsbeschrijvingen. Die zijn fascinerend genoeg: als het mensenbrein beschadigd raakt door ziekte of door letsel, kunnen zich bizarre veranderingen in gedrag en persoonlijkheid voordoen. De man die zijn vrouw voor een hoed hield van Oliver Sacks is in dit genre nog altijd een ijkpunt.

Maar waar Sacks in zijn schrijven nogal eens naar weeë verwondering of sentimentaliteit neigt, roept Benjamin een veel grimmiger wereld op. Zijn gesprekken met de ouders van een jongetje dat aan een waaier van mogelijke stoornissen lijdt (‘ADHD, autisme, gedragsstoornis, juveniele epilepsie, niet-vastgesteld trauma’) zijn genadeloos van stijl en observatie. Hoop is er ook niet. Op een dag sluit het joch de transformator van zijn treinset aan op zijn genitaliën en weet ternauwernood een zelfelektrocutie te overleven. Zo jong en zo verknipt: hoe kan dit ooit nog goedkomen?

Benjamin laat ons aanvankelijk in het ongewisse, maar voert de jongen later in het boek, volwassen inmiddels, opnieuw ten tonele. Goedkomen deed het niet.

Decorumverlies

Of neem het geval van de zakelijk succesvolle, energieke vijftiger Michael, die aan base jumping doet en bij een van zijn sprongen verkeerd landt: met een snelheid van vijfentwintig kilometer per uur schampt hij met zijn hoofd de zijspiegel van een vrachtwagen: ‘Hij droeg een helm, maar toch maaide de spiegel als een zeis een stuk van zijn schedel af en nam daarbij 33 cc van de linkerfrontaalkwab mee.’

Michaels revalidatie verloopt aanvankelijk voorspoedig maar op den duur merken zijn vrouw en kinderen dat er iets onherstelbaar veranderd is: Michael is ongeremd geworden en gevaarlijk impulsief, lijdt bovendien aan decorumverlies. Het is tragiek die je vaker tegenkomt bij gevallen van frontaal hersenletsel, maar Benjamin graaft dieper: waarom stokt Michaels herstel?

Lees ook het interview met deze neuropsycholoog: We maken onszelf letterlijk dom door telkens onze aandacht te verplaatsen

Dat ligt niet alleen aan de neurale schade. Misschien was zijn karakter vóór het ongeluk wel een masker, voelde hij zich beklemd door dat succesvolle, exuberante imago waar iedereen om hem heen zo van hield. De ongeremdheid na zijn ongeluk legde in feite zijn werkelijke karakter bloot. Hij hoefde de schijn niet meer op te houden: ‘Natuurlijk was het geen opzet van hem geweest, maar zijn trauma was bijna literair in zijn effectiviteit, want het gaf hem een duister elegant vrijkaartje om de bakens te verzetten.’

Literair in zijn effectiviteit: die woorden zouden op Benjamins eigen aanpak kunnen slaan. Zijn stijl is plastisch, bij vlagen smakelijk sarcastisch (de zomer heet bij hem ‘hersenletselhoogseizoen’), en ook vergeven van literaire verwijzingen. En het is precies daarin dat zich een heel andere kant van dit boek onthult. Eén verwijzing naar Shakespeares King Lear kan nog een vrijblijvend vertoon van eruditie zijn, maar wanneer Benjamin geleidelijk aan steeds meer over zichzelf en zijn privéleven begint te schrijven en het heeft over zijn dochters Cordelia (dochter van King Lear) en Bronwen (dochter van de mythologische Welshe koning Llyr), begint het vermoeden te rijzen dat dit literaire spelletje de lezer in een verborgen verhaallaag wil uitnodigen. King Lear is een toneelstuk vol waanzin en rolverwisselingen: wat zegt dat over Benjamins eigen geestesgesteldheid?

Eigen psychische problemen

In de tweede helft van het boek komt de auteur steeds meer en op steeds verontrustender wijze te spreken over zijn eigen psychische problemen en werpt daarmee een heel nieuw licht op zowel zichzelf als zijn patiënten.

Dat maakt van Laat me toch niet gek zijn dus tevens een memoir, die bovendien, door de gewiekste compositie en het spel met feit en fictie, veel weg heeft van een uitstekende literaire roman. Ook daarmee is nog niet alles gezegd. Geregeld schakelt Benjamin over op een essayistisch register: hij uit kritiek op zijn vakgebied, verkent de poreuze grens tussen persoonlijkheid en ziekte, belicht de problematische kanten van diagnostiek, drijft de spot met mindfulness (‘een oppervlakkig verzachtend middel voor onze vergevorderde aandachtskanker’), of windt zich op over het verkeerde gebruik van het woord ‘letterlijk’ (‘je kwam het overal tegen, gedachteloos als accentwoord gebruikt, maar ook als angstremmer tegen de inflatoire paniek van de taal zelf’).

Als lezer blijf je achter met een hoofd vol overpeinzingen: over de werking van dat hoofd zelf, maar ook over de vorm van dit rare, niet-categoriseerbare, maar buitengewoon knappe en indringende boek.