Opinie

Stop met ondermaats onderzoek

‘Er moet gewoon geld bij, anders blijft het maar doorsudderen”, zegt Bert Weckhuysen in de Volkskrant. Weckhuysen is voorzitter van de commissie die vorige week namens de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) een rapport uitbracht over de verhouding tussen ongebonden en strategisch onderzoek. De commissie stelt de overheid voor om 500 miljoen euro per jaar extra te investeren in ongebonden onderzoek en doet de aanbeveling voor een investeringsfonds van 1 miljard euro per jaar voor de verbetering van de positie van jonge onderzoekers. „Op die manier hoeven ze niet voor elk klein dingetje dat ze willen onderzoeken aan te kloppen bij NWO”, aldus Weckhuysen.

„Ongebonden onderzoek”, zo lees ik in het rapport, „is gericht op het verleggen van de grenzen van wetenschappelijke kennis.“ Het wordt gedreven door de nieuwsgierigheid van de onderzoeker, niet door strategische programma’s en prioriteiten van de sponsor. De onderzoeker heeft alle vrijheid om te bepalen wat en hoe er onderzocht moet worden. „Dat vergt vertrouwen van de samenleving en staat op gespannen voet met micromanagement door buitenstaanders.”

Het is de wensdroom van elke wetenschapper. De belofte van grenzeloze creativiteit en vrijheid, werken zonder druk van tijd en prestatie, én heel belangrijk: zonder garantie op resultaat. Maar om daarvoor anderhalf miljard extra te vragen aan de overheid, dat gaat mij een brug te ver.

Wat is de noodzaak?

Het is 2020. De wetenschap kan anderhalf miljard euro goed gebruiken, maar de ouderenzorg ook. En de jeugdzorg. De geestelijke gezondheidszorg. De stikstofcrisis. De salarissen in het onderwijs. Het geld van de belastingbetaler kan slechts één keer uitgegeven worden en niet aan dit alles. Met meer geld kan de wetenschap meer doen, maar wat is de noodzaak van de investering? Waarom anderhalf miljard?

NWO geeft zo’n 325 miljoen euro per jaar uit aan ongebonden onderzoek en 836 miljoen euro aan strategisch onderzoek. De commissie stelt voor om die bedragen gelijk te trekken, niet door ze opnieuw te verdelen, maar door het verschil van 500 miljoen euro bij te leggen. Die fiftyfiftyverhouding is losjes gebaseerd op een uitgebreide internationale vergelijking, die vooral liet zien dat het voor de wetenschappelijke output niet uitmaakt hoe de financiering van onderzoek is geregeld. In het rapport lees ik nergens de noodzaak van het gelijktrekken, hooguit de wenselijkheid. Een onderbouwing ontbreekt dat ongebonden onderzoek in Nederland in financiële nood is, met een inventarisatie van gestaakte experimenten, onderbenutte laboratoria en vastgelopen carrières.

En de 1 miljard? Dat is een voorlopige schatting. „De berekening van de hoogte daarvan kan geen onderdeel zijn van het adviesrapport”, schrijft het adviesrapport. En daarom staat de hele berekening in één korte voetnoot: „Als eerste indicatie kan worden uitgegaan van circa 7.000 wetenschappers met ius promovendi × 2 promovendi (à gemiddeld € 300.000 elk voor een volledig promotieonderzoek), dus ongeveer € 1 miljard, indien elke vier jaar een volgende promovendus de vorige in een rolling-grant-systeem vervangt.” Twee promovendi per hoogleraar als onderbouwing voor een fonds dat de positie van jonge onderzoekers moet verbeteren. Ook deze onderbouwing mist overtuiging.

Doelmatiger

Wie dieper in het rapport duikt, leest verder dat de geraadpleegde experts („een redelijke respons”, niet verder onderbouwd) het eens waren over de knelpunten in de wetenschap, maar niet altijd over de oplossingen. Sommigen vonden de strategische planning te ver gaan, anderen niet ver genoeg. Niemand had bezwaar tegen een hoger onderzoeksbudget, maar een aantal vond dat eerst het huidige budget doelmatiger ingezet moet worden. Dat was ook mijn gedachte.

Er wordt in Nederland baanbrekend onderzoek verricht, maar er is ook onderzoek van lage kwaliteit. Te makkelijk wordt de oorzaak daarvan gezocht in externe factoren, zoals de publicatiedruk en moordende competitie, terwijl gebrek aan creativiteit of analytisch vermogen als oorzaak niet uitgesloten zijn. Als we meer willen investeren in excellentie, moeten we de kraan durven dichtdraaien voor ondermaats onderzoek. Er kan niet alleen maar geld bij.

Nijpend probleem

Voor alle duidelijkheid: de commissie was niet gevraagd om na te denken over alternatieve financieringsmogelijkheden of om uit te zoeken waar en hoe binnen de huidige financiering ruimte voor ongebonden onderzoek vrijgemaakt kan worden. Ze was ook niet gevraagd om te berekenen hoeveel geld de overheid zou moeten bijspringen. De bedragen zijn proefballonnetjes. Voor in de media.

De financiering van de wetenschap is een nijpend probleem dat vraagt om een structurele oplossing. Een ruimer onderzoeksbudget is even ideaal maar zal vroeg of laat ook weer te krap zijn. Het past bij de wetenschap en bij een streven naar excellentie om te streven naar nieuwe mogelijkheden en steeds hogere kwaliteit binnen een ‘gelijkblijvend’ budget. Zoals wijlen Jules Deelder al zei: binnen de perken zijn de mogelijkheden even onbeperkt als daarbuiten.

Cecile Janssens is hoogleraar translationele epidemiologie aan Emory University in Atlanta.