Recensie

Recensie Boeken

Navelstarend raakt ze verstrikt in klimaatangst

Jenny Offill In deze roman raakt bibliothecaresse Lizzie betrokken bij de podcast van een klimaatwetenschapper. Geleidelijk bekruipt haar een gevoel van apocalyptisch onbehagen en begint ze te veranderen in een prepper.

Foto Kundoy / Getty Images

Jenny Offill (1968) vond met de roman waarmee ze in 2014 doorbrak haar vorm; het sterke Verbroken beloftes was geschreven in bondige alinea’s die het verhaal vertelden van een vrouw die verstrikt raakt in depressie, gesmoorde ambities en het gezinsleven. Veel witregels. Ook haar nieuwe roman Weersverwachting bestaat uit kleine blokjes tekst. Ditmaal vertelt de Amerikaanse Offill het verhaal van een vrouw die verstrikt raakt in klimaatangst, gesmoorde ambities en het gezinsleven.

Let wel: als een vorm werkt, een schrijver nu eenmaal een bepaalde stijl en thematiek heeft, hoeft het niet te storen. Helaas kan die stijl als hij nogal onderscheidend is een maniertje worden. Met Weersverwachting zit Offill op ’t randje, geloof ik. Het werkt wel hoor, die brokken tekst, het heeft iets verslavends, maar het kan ook zorgen voor een gevoel van valse urgentie.

Als je iets in een aparte alinea zet krijgt het algauw nadruk.

Je bent, met goede wil, ‘poëtisch’. Want je schrijft. In zinnen.

Het doet er dus nogal toe waarover geschreven wordt. In dit geval: een vrouw die haar academische ambities smoorde om een broer die in de probleem zit te helpen. Deze Lizzie, bibliothecaresse aan de universiteit, raakt betrokken bij de podcast van haar voormalige promotor, een klimaatwetenschapper. Ze beantwoordt brieven en mails van luisteraars (de brieven van milieuactivisten zijn saaier dan die van de eindtijddenkers). Er bekruipt haar een gevoel van apocalyptisch onbehagen – ze begint te veranderen in een prepper, zo iemand die zich voorbereidt op grootse rampen en die van bunkers houdt – dit alles ten tijde van de verkiezing van Trump. Lizzie gaat bijna vreemd, Lizzie wordt zo’n moeder die ze niet had willen zijn, Lizzie is zich bewust van haar (witte) privileges maar laat het niet na om de hele tijd te benadrukken dat ze in een buurt woont die ‘klein Pakistan’ genoemd wordt.

Fictieve navel

Weersverwachting is een roman, het is fictie, en toch voelt het allemaal wat navelstaarderig aan. In de navel van een fictief persoon staren is eigenlijk net zo vermoeiend als in die van een bestaand mens. Neem daarbij de pogingen het banale literair vorm te geven, en het kan zelfs wat dweperig worden: ‘We stonden in de supermarkt. Overal om ons heen probeerden dingen hun ware aard te verkondigen. Maar hun glans werd steeds doffer onder de afgrijselijke muziek.’ Niemand vindt de supermarkt echt prettig, maar moet je daar nu ‘de ware aard’ van dingen bij sleuren om zo’n zin betekenisvol te laten zijn? En kun je niet gewoon zeggen dat je slaappillen slikt, in plaats van een omzichtig: ‘Het goede aan slaappilverslaving is dat ze het geen verslaving noemen, ze noemen het „gewenning”’?

Lees ook het interview: Jonathan Safran Foer: ‘Eet alleen bij het diner dierlijke producten’

Fijn dus, dat Offill Lizzie ook een nuchtere en soms zelfs grappige inslag meegeeft, die ze uit in het tappen van tragische moppen en het benoemen van droge feiten. ‘Uit onderzoeken is gebleken dat 94 procent van de universiteitsdocenten vindt dat ze bovengemiddeld werk doen’, meldt ze. Of de echtgenoot die zijn voorspel onderbreekt om te vragen: heb jij mijn thermo-onderbroek aan?

Verfrissend of confronterend?

Misschien zit het nuchtere ook wel in het feit dat die grootse ellende, het klimaat, Trump, voor Lizzie gewoon bij de dagelijkse sleur lijkt te horen. Ze googelt nu prep-technieken in plaats van andere dingen, en de verkiezingen zorgen er in de wereld van Lizzie voor dat wachtkamers van inloopklinieken vol zitten ‘met zenuwachtige witte vrouwen’ die nog gauw een spiraaltje willen laten zetten voor de president de klinieken sluit.

Je zou het als verfrissend, of met wat goede wil en voor bepaalde mensen, ‘confronterend’ kunnen beschouwen om die grootse ellende eens als ‘terloops’ gepresenteerd te zien, maar meer dan verfrissend kun je het pijnlijk noemen. Ik ben zelf niet zo van team ‘kunst moet vreselijk geëngageerd zijn’, maar als je je dan tóch verhoudt tot zaken als deze, schuif ze dan niet half terzijde in het leven van (wederom) een vrouw die alles op zichzelf betrekt en over zichzelf zegt dat ze zo’n ‘deugmens’ is geworden. Daar hebben we er (binnen en buiten het literaire) al genoeg van, en daar kan zelf de quasi-urgentie en het verslavende van die losse alinea’s niet tegenop.