Opinie

Gaatjes en mondkapjes

Frits Abrahams

Op één dag twee belangrijke medische ervaringen – een welbestede dag. Het begon bij de tandarts. Ik was ontspannen neuriënd gearriveerd voor mijn halfjaarlijkse controle. Die verloopt doorgaans in alle pais en vree. Eén keer in de vier, vijf jaar de constatering van een gaatje, de opruiming van nutteloos tandsteen en restjes plaque, ja, spoel maar even … Je zou bijna voor de lol naar de tandarts willen.

Deze keer begon de tandarts strakke vraagjes te stellen, terwijl hij me een handspiegel aanreikte. Borstelde ik nog steeds elektrisch? At ik veel koekjes? En passant schepte hij een vliesje plaque tussen twee tanden vandaan. Ik begon me een schoolkind te voelen met een vieze onderbroek die half zichtbaar wordt tijdens de gymnastiekles.

Hij nam enkele foto’s van mijn gebit. Eindelijk een fotograaf die niet wil dat ik lach, probeerde ik vrolijk te denken, maar het onheil liet zich niet bezweren. Hij had vier gaatjes gezien, zei hij even later. Vier! Hij wees ze aan op de foto’s. Misschien was bij één kies ook nog een zenuwbehandeling nodig, maar dat was van later zorg. Hij moet aan mijn gezicht gezien hebben dat de teleurstellingen om enige dosering vroegen.

Hoe kon dat nou, vroeg ik gekweld, het was bij die controles altijd zo goed gegaan. Hij had het vaker gemerkt bij de ouder wordende man, vertelde hij. Kwestie van koekjes. Jarenlang was er amper een gaatje te bekennen, maar dan verslapte de discipline en gingen ze te veel aan de gesuikerde koekjes. Kon dat kloppen? Ik dacht diep na en moest het met een knikje beamen. Koekjes en – maar dat schoot me later te binnen – Engelse drop en chocola.

Ik kon gaan, nadat hij me had voorgerekend dat de behandeling twee uur zou duren. Een half uur per gaatje. Nu vul ik zelf ook gaatjes, drie keer per week op deze Achterpagina, maar er is een groot verschil tussen gaatjes vullen en gaatjes laten vullen. Dat zal ik binnenkort ondubbelzinnig merken.

Een uurtje later was ik bij de apotheker om een of ander tamelijk

onschuldig medicijn op te halen. Op de toonbank stond een bordje met de tekst: „Mondkapjes sold out.”

„Corona!” riep ik op dezelfde manier waarop je vroeger met gespeelde verbazing „caramba!” riep. „Zijn ze nu al uitverkocht?”

„Welnee”, zei de assistente met een geheimzinnig lachje, „we hebben ze nooit verkocht, maar we werden doodziek van al die mensen – toeristen, maar ook Nederlanders – die om kapjes kwamen vragen.”

„Maar dan kunnen jullie die mensen dus niet helpen”, zei ik.

Ze haalde haar schouders op. „Die kapjes zijn grote onzin, ze werken helemaal niet. Dat virus gaat er gewoon dwars doorheen. Het enige wat kan helpen is goed je handen wassen.”

Ze had gelijk. Thuis heb ik het even nagekeken. Het RIVM adviseert alleen mondkapjes voor medisch personeel – speciale maskers die heel nauwkeurig gebruikt en regelmatig gewisseld moeten worden. „Dat is in het dagelijks gebruik bijna niet mogelijk.”

Behalve handen wassen las ik nog een nuttige tip: hoesten en niezen „in de binnenkant van de elleboog”. Ik heb het voor de spiegel een paar keer geprobeerd. Ik moest zo hard lachen dat de vullingen bijna uit mijn gebit vielen – een frivoliteit die ik me helaas niet meer kan permitteren.