Tanny Dobbelaar: „Waarom zou ik me verbonden voelen met onbekenden, enkel omdat we dezelfde achternaam delen?”

Foto Kees van de Veen

Interview

‘Familie is meer dan vader en moeder’

Tanny Dobbelaar, filosoof Filosoof Tanny Dobbelaar onderzocht hoe mensen hun familiegeschiedenis in kaart brengen en zich verhouden tot dat verleden.

De familie van vaderskant van Tanny Dobbelaar heeft een eigen tijdschrift. Het heet De Dobbelbeker, en het gaat over mensen die Dobbelaar heten – of Dobbelaer, of een andere versie van die naam. Tanny Dobbelaar was bezig met een promotie-onderzoek naar familiegeschiedenissen, dus haar vader dacht dat het een aardig idee was haar te vragen een stukje voor het blad te schrijven. Ze bedankte. „Waarom zou ik me verbonden voelen met een groep mensen die ik niet ken, enkel omdat we dezelfde achternaam hebben? Ik ervaar die familieband niet zo.”

Dobbelaar is schrijfcoach van beroep. In 2011 publiceerde ze het boek Familieverhalen. De kunst van het schrijven over je naasten, waarin ze onderzocht hoe je over familie moet schrijven en wat dat betekent voor de begrippen ‘waarheid’ en ‘persoonlijke identiteit’. Daarmee was het laatste woord over dit onderwerp echter nog niet gezegd. „Ik wilde het ook wetenschappelijk bestuderen.”

Eind januari zag het resultaat van die studie het levenslicht. Dobbelaar promoveerde aan de Rijksuniversiteit Groningen op het proefschrift Family History: Relatives, Roots, and Databases. In deze dissertatie onderzoekt ze de manier waarop mensen hun familiegeschiedenis in kaart brengen en zich verhouden tot het verleden dat ze aantreffen: hoe geven ze het idee van familie vorm, wat betekent dat begrip voor hen?

Ze is van huis uit filosoof, en Dobbelaar wilde het proefschrift aanvankelijk lezend en denkend vormgeven, zegt ze. Maar daar stak haar promotor, hoogleraar geschiedenis Mineke Bosch, een stokje voor. „Die vroeg me: waar is de empirie? Die heb ik een aantal jaar buiten de deur proberen te houden, maar ik moest uiteindelijk toch concluderen dat ik niet zonder kon. Dus ging ik langs bij het CBG | Centrum voor familiegeschiedenis in Den Haag.”

Wat heeft u daar gedaan?

„In de studiezaal werd ik geholpen door een vriendelijke medewerker, die waren er toen nog. Tegenwoordig moet alles digitaal. Het CBG verzamelt naast persoonskaarten en andere genealogische bronnen duizenden familiegeschiedenissen, huwelijksmenu’s, geboortekaartjes en meer van dat soort familiegebonden voorwerpen. Ik heb voor mijn onderzoek de familiegeschiedenissen onderzocht die er in 2013 waren gedeponeerd. Dat waren er iets meer dan 120.”

In de studiezaal werd ik geholpen door een vriendelijke medewerker, die waren er toen nog

 

Boeiend om te lezen?

„Nee, totaal niet. De meeste waren heel saai. Er was een kleine groep die niet op de rest leek. Dat waren geschiedenissen geschreven vanuit de eigen ervaring: mijn jeugd in Japan, dat soort dingen. Die waren goed leesbaar. Maar het merendeel bestond uit verslagen van onderzoekers die zich verbonden voelen met mensen die in de zeventiende eeuw geboren zijn met dezelfde achternaam als zij. Ik begrijp dat persoonlijk dus niet. Maar van die geschiedenissen wilde ik de cultuurhistorische betekenis in kaart brengen.”

Waarom waren ze saai?

„Omdat ze niet voor mijn ogen bestemd waren en zo op elkaar leken. Dat komt omdat de technische ontwikkelingen van de afgelopen decennia alles veranderd hebben. Familiegeschiedenissen zien er hetzelfde uit, omdat iedereen dezelfde database-structuur gebruikt: de GEDCOM-standaard [Genealogical Data Communication] van de mormonen in Utah, die met hun genealogische database de toon hebben gezet.

„Die database is traditioneel en heteronormatief, hij dwingt je je familie in kaart te brengen op hun manier: je vader en moeder en daar dan weer de vader en moeder van, et cetera.”

Voor een groot deel van de geschiedenis is die heteronormativiteit en het idee van het traditionele gezin toch niet zo gek?

„Als ik mijn leven zou beschrijven, komen daar mensen in voor die in die database niet aanwezig zijn. Levens worden niet uitsluitend bepaald door ouders en grootouders. Samengestelde gezinnen had je vroeger ook. Vrouwen gingen vroeg dood, waarna de man weer trouwde. Dat krijg je moeilijk in zo’n database.

Levens worden niet uitsluitend bepaald door ouders en grootouders

 

„De database dwingt je de geschiedenis van je familie te begrijpen in biologische zin. Maar dat zegt lang niet altijd iets over de manier waarop mensen in het verleden van jouw familie hun leven hebben beleefd.”

Waar komt de fascinatie met de traditionele familie vandaan?

„De negentiende eeuw heeft het biologische familiebegrip dominant gemaakt, hand in hand met de opkomst van het nationalisme en de eugenetica. Dat begon met de democratisering van de geschiedenis eind achttiende eeuw. Toen kregen gewone mensen voor het eerst het idee dat ze een verleden hadden. Ze vormden een lineair idee van zichzelf. Daarvóór was dat idee meer cyclisch: we leven en we gaan dood, wedergeboorte in de lente, aftakeling in de herfst. Alleen adellijke families hadden een lineair idee van zichzelf; zij zagen zichzelf als deel van een lijn die de geschiedenis inging. Voor gewone mensen was familie een plek, geen tijd. Daar hoorden dus eerder de knechten bij dan de voorouders.”

Anno 2020 zijn nogal wat mensen geobsedeerd door hun identiteit. Zag u dat terug in de door u onderzochte familiegeschiedenissen?

„De socioloog Eviatar Zerubavel stelt dat mensen als gevolg van de individualisering van de maatschappij steeds meer op zoek gaan naar hun wortels. Je kijkt van het heden terug, en dan zie je heel veel voorouders in het verleden. Die wortels zouden identiteit als individu vormgeven.

„Opvallend was dat ik dit nauwelijks terugzag bij mijn onderzochte familiegeschiedenissen. De samenstellers daarvan zagen zich als archivarissen. Ze wilden precies noteren wat ze gevonden hadden. Er is wat mij betreft een duidelijk verschil tussen wat theoretici zeggen over waarom mensen aan familiegeschiedenis doen, en wat die mensen zelf zeggen.

De samenstellers zagen zich als archivarissen. Ze wilden precies noteren wat ze gevonden hadden

 

„In hun voorwoord gaan veel onderzoekers in op het waarom van hun werk. Ze zeiden dingen als: mijn familie is heel speciaal, dat wil ik beschrijven. Of: ik wil mijn nageslacht laten zien waar ze vandaan komen. Maar ook: ik had net zo goed vlinders kunnen verzamelen, dit is een hobby.”

Wat waren uw belangrijkste conclusies?

„Ten eerste: schijven maakt vrij. Ik zag dat de familiehistorici zich in hun verslagen probeerden te ontworstelen aan de beperkingen van de database. Dan zeiden ze: de vrouwen in deze stamboom zijn zo interessant, dat ik een aparte kwartierstaat aan ze wijd. Of: mijn stiefvader is zo belangrijk voor me, die neem ik toch op in een eigen hoofdstuk.

„Wat ik misschien wel het interessantst vond, is dat het maken van zo’n familiegeschiedenis onderdeel is van het familieleven. Iedereen ‘doet’ familie, door het vieren van verjaardagen, trouwerijen of door te erven. Het bedrijven van genealogie is een manier om een extra dimensie te geven aan dat familie doen: je maakt een familie om een familie te zijn.”