Een hapje uit de bioreactor? Het is nog wennen

Beeldvorming Kweekvlees geldt als onnatuurlijk, kunstmatig en hightech. Althans: nu nog. Maar de perceptie ervan wordt beter, stellen onderzoekers.

‘Lab Parels’ op het menu van het fictieve kweekvleesrestaurant Bistro in Vitro.
‘Lab Parels’ op het menu van het fictieve kweekvleesrestaurant Bistro in Vitro.

Er is maar een handvol Nederlanders dat ooit kweekvlees geproefd heeft en Ira van Eelen is één van hen. Als dochter van Willem van Eelen, die het eerste patent op kweekvlees kreeg, was ze uitgenodigd bij start-up Just in Californië en kreeg daar eendenmousse, pasta bolognese en een taco met chorizogehakt. Niks bijzonders. „Het bijzonderste was dat iedereen naar mij keek. Dat het vlees was, heb ik altijd begrepen. Niet alsof-vlees, maar gewoon, iets vlezigs.”

Gewoon vlees. Zo zal kweekvlees, zeker in het begin, in de markt worden gezet. Daarom ook begint Mosa Meat met een hamburger. Maar hoewel er onder de microscoop geen verschil is, is de grote vraag: zien consumenten het zo? Zullen ze een hamburger eten die niet van een koe komt, maar uit een bioreactor?

In een Canadees onderzoek uit 2019 verkoos niet meer dan 11 procent de kweekvleesburger boven een plantaardige of conventionele burger – vooral vleesminnende mannen. Een Nederlandse online peiling liet onlangs zien dat een ruime meerderheid het zou kopen. Ook in India en China zou de helft van de ondervraagden het best willen proberen. Maar wat zegt dat over keuzes die consumenten maken als kweekvlees in de winkel ligt?

Lees ook het achtergrondverhaal: Kweekvlees komt steeds dichter bij je bord

Warme gevoelens

Hans Dagevos, onderzoeker bij Wageningen Economic Research, bestudeerde recente onderzoeken. Consumenten vinden kweekvlees nu nog „onnatuurlijk, kunstmatig en hightech”, maar dat kan snel veranderen. „Zolang het onbekend en ver weg is, roept kweekvlees eerder weerzin op dan warme gevoelens. Dat kan omslaan als het lekker blijkt te zijn en daarnaast ook nog betaalbaar, veilig, duurzamer en diervriendelijker dan vlees van dieren.”

Zelfs die vermeende weerzin – de „jakkes-reactie” – blijkt mee te vallen als je met mensen gaat praten, zag hoogleraar filosofie Cor van der Weele (Wageningen) in groepsgesprekken. „Als je nadenkt over kweekvlees, ga je ook nadenken over vlees en wat dat voor dieren betekent. Dan blijken mensen daar ook ambivalent over te zijn. Vlees eten gaat vaak samen met strategische onwetendheid – je wilt er niet te veel van weten. Hoe meer je je realiseert dat vlees eten ook vreemde kanten heeft, hoe normaler kweekvlees wordt.”

Wat Van der Weele opviel, was dat oudere mensen uit haar onderzoek meer openstonden voor kweekvlees dan jongeren. „Ouderen hebben al zoveel nieuwe producten zien komen, een nieuw soort vlees is dan niet zo gek.” Aan een voorspelling over de acceptatie als het er is, waagt ze zich niet. „Alles hangt af van wát het straks is.”

Ongeboren kalveren

Hoewel de perceptie positiever wordt, zijn consumenten niet blind voor de nadelen, zegt Dagevos. „Kweekvlees kan het hele systeem ontwrichten. Hebben boeren straks nog een bestaan? Is het wel zo duurzaam? Komt ons vlees in handen van een paar giganten, zoals nu de markt voor gentech en internet? Als kweekvleesbedrijven die vrees kunnen wegnemen, verandert het spel.”

Zo is bijvoorbeeld het beeld in de dierenwelzijnshoek gekanteld sinds kweekvlees niet meer gemaakt hoeft te worden met bloed van ongeboren kalveren – al zorgt de geslotenheid van kweekvleesstart-ups over hun receptuur ook weer voor scepsis.

Ira van Eelen, onbezoldigd pleitbezorger van kweekvlees, hoopt net als haar vader op een grote rol voor wetenschap en boeren, zodat kennis en productie vrij toegankelijk worden. Ze verwacht dat er „verschillende routes naar het bord” komen. Van grote brouwerijen tot een voormalig varkenshouder met een lege stal en de slager op de hoek. „Ook voor de grote jongens is lokale vertrouwdheid belangrijk. Dat je ziet wat het is, een band hebt met wie maakt en denkt: dit wil ik eten, wil ik mijn kind geven.”

En als het in Nederland niet meteen stormloopt, dan toch vast wel in Azië, waar een groeiende bevolking steeds meer vlees zal eten. „Ik verwacht dat Chinezen, mede door de varkenspest, nog makkelijker dan wij voor kweekvlees kiezen.” Mogelijk zal het daar ook eerder verkocht kunnen worden. „Jammer voor Nederland. Maar voor de wereld is het prima.”