Opinie

Wens

Ellen Deckwitz

Mijn jongste neefje (11) deed open en zijn bedrukte gezicht had al een hint moeten zijn maar hee, ik had net een dag waarop ik alleen met mezelf bezig was en denderde de woonkamer binnen, klaar voor het vijfgangendiner (het neefje wil topkok worden) en belandde daar in een woordenwisseling tussen mijn zus en haar oudste zoon (13). Voor de volledigheid vermeld ik er hier even bij dat hij al sinds zijn negende in een debatteam zit en praat alsof hij met een woordenboek in de mond geboren is.

„En zij”, zei hij, naar me wijzend alsof ik een vreemde was in plaats van zijn favoriete (enige) tante, „wilde zij het ook?”

„Wilde ik wat?”, vroeg ik onzeker, ik weet immers nooit écht wat ik wil.

„Meneer hier heeft net ontdekt dat niemand aan hem heeft gevraagd of hij wel geboren wilde worden”, zei mijn zus chagrijnig.

„Baal je ervan dat je bestaat dan?”, vroeg ik hem.

„Dat is het punt niet, het gaat om het principe”, zei hij, „In zekere zin is mij het leven opgedrongen.”

„Maar je was supergewenst!”, riep ik.

„Gewenst en gevraagd zijn niet hetzelfde”, zei hij en stampte de trap op. Mijn zus plofte op de bank.

„Joh, hij is gewoon aan het puberen”, zei ik.

„En dan weet hij nog geeneens hoeveel moeite het kostte om hem te krijgen”, zuchtte ze. Ja.

De stemmingswisselingen, gewrichtspijn en vermoeidheid waar ze op haar 24ste mee te kampen kreeg, bleken symptomen van een extreem vroege perimenopauze, wat voor iemand die al sinds haar derde een kinderwens had gehad een ramp was. Er volgden slopende hormoonkuren en talloze ziekenhuisbezoeken. Ik herinnerde me de verslagenheid als het weer niet gelukt was.

Vlak voor ze eindelijk zwanger raakte, hing ze uit het raam. Het was een warme lenteavond, de natuur bloeide zo obsceen dat je haar wel wat aan kon doen. Ik wou dat ik haar toen al had kunnen vertellen dat het wél zou gaan lukken, en twee jaar daarna weer.

„Waar ben je toch”, zei mijn zus die avond moedeloos tegen het donker, alsof haar kind daar verstoppertje speelde, zich weigerde te laten lokken door foliumzuur en follitropine.

Mijn neefje kwam een half uur later weer naar beneden.

„Sorry”, zei hij tegen mijn zus, „níémand kan er iets aan doen dat hij geboren is.”

Hij gaapte zonder zijn hand voor de mond te houden. Ik zag hoe duister het gebied achter zijn tanden was, even donker als die ene lenteavond toen hij nog niet meer was dan een wens, waarvan niemand nog wist hoe het uitkomen ervan zou uitpakken.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.