Elizabeth Day

Foto: Merlijn Doomernik

Interview

Wat Elizabeth Day opstak van de ellende die haar overkwam

Bestsellerauteur Haar roman Het feest – thriller en standensatire ineen – werd een bestseller. Sindsdien maakte schrijfster Elizabeth Day ook furore met een podcast over falen. „Iedereen is beschadigd of op zijn minst getekend door het leven, en heeft daardoor onaardige kanten. ”

Er was eens een prinses die niets bijzonders kon. „Net als ik, vond ik vroeger”, lacht Elizabeth Day (1978). De bestsellerauteur uit Londen weet veel van onzekerheid en schaamte. Haar podcast How To Fail heeft intussen vijf miljoen downloads, het eruit voortgekomen boek werd een bestseller, net als haar voorlaatste roman Het feest (The Party).

The Ordinary Princess van M.M. Kaye was het boek dat ik als kind koesterde. Iedereen kon toveren, behalve die prinses. Zij was anders, schoot tekort. Ik begreep precies hoe zij zich voelde. Zo begint het schrijverschap, denk ik: te weten dat je afwijkt, en van daaruit aan het fabuleren slaan. Waren mijn ouders ruimtewezens? Zo ja, wat waren hun plannen met mij, het normale mensenkind?”

Met een goedkeurend hummetje neemt Elizabeth Day een hap van een koekje in de lobby van het Ambassade Hotel in Amsterdam. Haar faalverhaal is onlangs uitgebracht onder de titel Durf te falen. In dit non-fictiedebuut zet ze uiteen wat ze opstak van pech die haar overkwam. Day is intussen erg succesvol. En eloquent, spitsvondig en opvallend knap om te zien bovendien, maar voelt zich, zegt ze desgevraagd, nog steeds wel eens een oelewapper.

„Het gevoel er niet bij te horen, niet mee te kunnen komen, niets voor te stellen, zit nu eenmaal diep. Ik weet dat ik altijd privileges heb gekend, ik ben wit, ik heb liefhebbende ouders, een goede opleiding en toch… De basisonzekerheid is ontstaan toen ik als Engels kind terechtkwam in Noord-Ierland. Door mijn accent viel ik op; het accent van de vijand, volgens velen. Het was er op straat onveilig.

„Behalve over de gewone prinses las ik graag over de Tweede Wereldoorlog. Ik wilde meer weten van conflict, van wat mensen elkaar in het meest extreme geval aan kunnen doen. Later, als student in Cambridge, had ik, anders dan de meeste anderen, een beurs. Ik ben geen sociopaat zoals Martin, maar ik begrijp hem wel, zijn gevoelens als buitenstaander.”

Verliefd

Martin Gilmour is de hoofdpersoon van Days meest succesvolle roman, Het feest. Hij wordt op de universiteit verliefd op de aristocratische Ben Fitzmaurice, en op alles waar Ben voor staat. Zelf is hij van eenvoudige komaf. Hij wil Ben niet zozeer hebben, hij wil hem zijn. Na vijfentwintig jaar brengt dit hem op het politiebureau. Er is iets voorgevallen op het poenige feest ter ere van Bens veertigste verjaardag. Day laat de lezer gissen naar wat precies, en doet lang het ergste vrezen.

Lees ook de recensie van Het feest (●●●●●): Wat gebeurde er op dit extravagante feest van de Britse upper class?

Day begon de roman als een experiment. „Mijn boeken tot dan toe hadden geen sterke plot. Het ging mij om de personages. Ik moest in hun hoofd komen, uitvinden wat ze najoegen. Met aanvankelijk weinig benul van wat het worden zou. Schrijven was een zoektocht. Het leek me saai tevoren te weten waar het heenging – net een kleurplaat. Ook vermeed ik zo het risico dat ik op voorhand een kathedraal verzon, maar uiteindelijk niets meer dan een tuinschuurtje timmerde. Ik wilde niet mislukken. Ik plande mijn romans dus nooit, totdat ik Het feest schreef. Ik liet me inspireren door tv-series, zoals The Affair, met cliffhangers en al. Die serie begint op een politiebureau, een verhoor, zo begon ik mijn boek ook. De plot stuwde het verhaal voort. Boekhandelaren vinden het lastig te categoriseren: is het een thriller, een psychologische roman of een standensatire? Nou, alle drie. Want evengoed ben ik wel weer echt in Martin gekropen, hoor. En in zijn vrouw Lucy, de andere vertelstem.”

Day spreekt gloedvol over haar personages, alsof het reëel bestaande mensen zijn. „Zo’n stem wordt heel krachtig, ja, als een aanwezigheid. Martin is zelfs nu nog bij me. Aan het eind van Het feest zit hij in zijn bedompte kamertje en staart naar de muur. Die is behangen met foto’s van Ben en een nauwgezette tijdbalk van zijn leven. Martin vlast op zijn volgende stap. Ik sluit niet uit dat er nog een boek over hem volgt.”

Lesbisch kamermeisje

Day hecht aan haar verzinsels. Ze vergroot bepaalde eigenschappen van zichzelf uit en bedenkt hoe zo’n eigenschap bij iemand op de voorgrond komt. Sommige personages, zoals Howard Pink in Paradise City (2015) kennen weinig gêne. „Heerlijk”, zegt Day. „Ik ben nog steeds verknocht aan mijn innerlijke Howard Pink! Een rijkaard die rondloopt alsof de wereld van hem is. Op onzekere momenten vraag ik me af: wat zou Howard doen?”

In die roman verkent Day vanuit vier personages, elk met een eigen verhaallijn, het onderwerp verlies. Voornoemde zakenman, een uit Oeganda afkomstig lesbisch kamermeisje, een prille weduwe en een roddeljournaliste, allen Londenaren, zijn iemand kwijtgeraakt. Ze rouwen en vragen zich af of zij schuldig zijn. Zij vinden elkaar – en daarmee zichzelf. Zoetelijk is de roman geenszins, daar is Day de schrijver niet naar, maar een bepaalde verzoeningsgedachte, met het lot, zichzelf en anderen, zit er wel in.

Iedereen is beschadigd of op zijn minst getekend door het leven, en heeft daardoor onaardige kanten. Ik verken in mijn romans de donkere kanten van de mensheid, van mezelf

Day: „Daar geloof ik in. Kijk, iedereen is beschadigd of op zijn minst getekend door het leven, en heeft daardoor onaardige kanten. Het gaat mij erom dat die te verklaren zijn. Mensen doen niet zomaar rot, en kunnen veranderen. Ik verken in mijn romans de donkere kanten van de mensheid, van mezelf. Als een soort ontdekkingsreiziger.” Critici noemden haar figuren soms ‘te onaardig’. Naar haar idee is dat seksisme: een schrijfster moet, zoals alle vrouwen, „pappen, nathouden, gladstrijken”. „Maar het gaat me er niet om wie ‘de goede’ is. Die is er niet. Niets is waar, of alles. Iedereen heeft zijn eigen versie van gebeurtenissen.”

Het feest is allereerst, zegt ze, een eerbetoon aan een aantal auteurs en titels die ze zelf graag leest. In sneltreinvaart somt ze op: Engleby van Faulks, The Go-Between van Hartley, Brideshead Revisited van Waugh, The Line of Beauty van Hollinghurst en „bovenal”: The Talented Mr. Ripley van Patricia Highsmith.

Sociopaat

„Ik wilde over de verschillen in Engeland vertellen vanuit een ultiem onbetrouwbare verteller, een sociopaat. Maar Martin bleek te griezelig, ik moest van mijn redacteur een normaler iemand toevoegen, een tweede stem. In eerste instantie was ik op mijn teentjes getrapt. Nou vooruit, zei ik, maar ik ga geen moeite doen, ik schrijf er wel gewoon een vrouw bij die qua levensloop op mij lijkt. Die meemaakt wat ik net heb meegemaakt: hoe ivf-pogingen, een zwangerschap, een huwelijk mislukken. Ik zat op dat moment in mijn eentje in Los Angeles bij te komen van al dit falen. Tot mijn stomme verbazing vond ik Lucy’s stem, nuchter, aards, meteen. Ze groeide uit tot het sterkste personage in het boek. Het kreeg ook urgentie: eenmaal bezig besefte ik dat ik nog nooit over de barre pijn van een miskraam had gelezen.”

Nadat ze Lucy had verzonnen, zette Day een volgende stap naar openheid en, wat zij noemt, „authenticiteit”. Ze begon haar podcast How To Fail, over ongeluk, pech, vergissingen. Ze ondervroeg aanvankelijk anderen over wat er misliep in hun leven, maar werd steeds opener over haar eigen mislukkingen. „Het boek dat uit de podcast is voortgekomen, gaat vooral over mijn geworstel met verwachtingen. Het heeft uiteindelijk een vrolijke boodschap: dingen gaan zoals ze gaan, en al is dat wat anders dan je hoopte, dat is ook goed.”

Fouten maken is menselijk, en bovendien leer je van ze. Hoog tijd om falen een beetje te vieren. Lees ook: We mogen onze blunders best een beetje vieren

Zelf vindt ze dat ze toen ze jonger was, faalde in het voor zichzelf opkomen: „Toen ik in de twintig was, vlakte ik mezelf compleet uit. Vooral in liefdesrelaties. Als mijn vriend vroeg waar ik wilde eten, begon ik koortsachtig te bedenken waar híj zou willen eten – dát was dan mijn antwoord. Is dit een vorm van falen? Jawel. Ik liet dat toe. Maar dat ik een verkeerd begrip van liefde had, was niet mijn schuld. Dat kwam door de nog niet voltooide emancipatie. De rol die ik, als vrouw, behoorde te vervullen was zorgen dat anderen gelukkig waren.”

Hysterisch

Sinds How To Fail is Day de schaamte voorbij. In haar non-fictie draagt ze bij aan wat ze „het terugvorderen van het verhaal” noemt: „Vrouwenverhalen zijn honderden jaren niet gehoord. We waren monddood. De reële hinder van menstruatie, hormonen, miskramen, baren, de overgang: vrouwen behoorden er zelf in stilte uit zien te komen. Het werd niet gedeeld. Het deed er niet toe. Woede van vrouwen werd weggezet als hysterie of hekserij. Eindelijk verandert dat nu echt, in sneltreinvaart. Het zijn verkwikkende tijden voor vrouwen. We zijn net zo potent als mannen, op onze eigen manier, het dringt eindelijk door.”

Wat als je compleet geobsedeerd raakt met het koste wat het kost moeder willen worden?

Day is voldaan over haar eigen lef. En ze wil meer persoonlijke non-fictie schrijven, maar eerst moet ze „nog wat meer leven”, dan dient een onderwerp zich vanzelf aan. Ze werkt nu weer aan een roman. Die is niet minder ‘waar’ dan haar non-fictie, vindt ze, die is op een andere manier waar: „Dat is uniek aan de kunstvorm die de roman is. Vanuit het verzonnene toont zich een klare, ingekookte vorm van waarheid.”

Net als haar eerdere romans begint dit nieuwe verhaal als een gedachte-experiment: „Wat als – je compleet geobsedeerd raakt met het koste wat het kost moeder willen worden? Slaat verlangen om in gekte? Tot welke daad kan iemand in het uiterste geval komen?” Daarin zullen haar thema’s – het buitenstaanderschap, schaamte, verzoening – ook wel weer aan de orde komen. „Ach ja”, zegt ze, „ik ben ook nog eens Engels, hè. Wij eilandbewoners voelen ons zo snel bedreigd. Hoge muren moeten we bouwen, houvast zoeken in tradities. Alles wat nieuw is, is eng. Onze eigen emoties net zo goed. Gevaarlijke indringers zijn het! Die kunnen we maar het best wegdrukken… of niet?”