Opinie

Taal

Taal blijft een dingetje. Werd het vroeger functioneel gezien, tegenwoordig is het vooral een politiek instrument. Taal is meer dan enkel woorden die een boodschap over kunnen brengen, taal brengt ook cultuur en invloed met zich mee. En om die invloed is er inmiddels al jaren een strijd gaande. Werd het vroeger breed geaccepteerd dat ouders regelmatig met hun kind als tolk naar verschillende gesprekken kwamen, nu verwachten we dat mensen in alle lagen en facetten van de samenleving zelf meedoen, en taal is daar de sleutel toe. Dat vond Rita Verdonk, oud VVD-minister van integratie vijftien jaar geleden ook en daarom kwam ze met een wetsvoorstel om taalcursussen te verplichten. Niet enkel voor nieuwkomers, maar ook voor ‘oudkomers’. Deze oudkomers woonden vaak al tientallen jaren in Nederland en sommigen waren zelfs al met pensioen. Het verplicht stellen van een taalcursus voor met name de laatste groep stuitte toen op veel kritiek, niet van de minsten overigens. De Raad van State oordeelde negatief over het wetsvoorstel van Rita Verdonk, maar desondanks werd het doorgedrukt.

Inmiddels voeren we al jaren strijd over de multiculturele samenleving, die 20 jaar geleden een drama werd genoemd in dezelfde krant waar ik als kleinkind van een migrant inmiddels een column voor schrijf. Taal is één van de wapens die het meest tot de verbeelding spreekt in de strijd om de multiculturele samenleving. Waar het vroeger kon en zelfs gebruikelijk was om bijvoorbeeld flyers uit te delen voor een politieke campagne in het Turks of Arabisch om standpunten duidelijk te maken, is het de laatste jaren not done om dat te doen. Het gaat immers niet meer om de inhoud, maar om de vorm. Wie geen Nederlands spreekt moet zich maar aanpassen.

En juist over dat aanpassen is de laatste jaren veel strijd gevoerd, met name met de Turkse gemeenschap. Jarenlang nam die had die een bijzondere positie in het hele integratiedebat. De Centrale Raad van Beroep oordeelde destijds dat Turken niet hoeven te integreren vanwege het associatieverdrag met de EU. Indertijd was ik enorm blij met die uitspraak: het betekende dat mijn oma en opa niet verplicht naar een taalcursus hoefden terwijl ze al jaren op hun manier goed functioneerden en hebben bijgedragen aan Nederland, om specifiek te zijn als kleermaker in Rotterdam. Het pesten van Turkse oudkomers was daarmee definitief klaar en zoals ik toen ook zei tijdens een vurig debat op de lerarenopleiding: „investeer het geld liever in de jeugd met taalachterstand, in plaats van in een generatie die hier zijn beste tijd heeft gehad. De jeugd is de toekomst van dit land.”

De rechterlijke uitspraak over het associatieverdrag had een keerzijde: ook nieuwkomers uit Turkije hoefden niet te integreren. Jaren hebben politici, ook in Rotterdam, met allerlei voorstellen geprobeerd hier wat aan te doen. Wethouder Wijbenga wil Turkse gezinnen verleiden om toch een inburgeringscursus te volgen, omdat verplichten niet kon. Ik gebruik specifiek het woord kon, omdat minister Koolmees nu stelt dat het associatieverdrag achterhaald is en nieuwkomers uit Turkije voortaan ook een inburgeringsexamen moeten afleggen. En dat is goed, want taal is inderdaad de sleutel tot je sociale mobiliteit binnen de maatschappij. Gelukkig hebben we inmiddels wel door dat we ons vooral op nieuwkomers moeten focussen. Oudkomers hebben hun bijdrage allang geleverd aan ons land en die generatie zijn we dankbaar, want zonder hen had u vandaag deze column niet gelezen.

Halil Karaaslan is programma- manager diversiteit en inclusie in de sociale sector. Hij schrijft de komende periode een wisselcolumn met Mirjam de Winter.