Foto Frank Ruiter

Interview

Alex Boogers: ‘Nee, kalmte is mij niet gegeven. Ik moet razen’

Lunchinterview Alex Boogers (49) schrijft in een bijna maniakaal tempo. Zijn nieuwe boek is een lange brief aan zijn zoon. „Ik bén helemaal geen macho.”

‘Als ik je nu beetpak”, zegt Alex Boogers, „en ik pak je bij je achterhoofd, en we gaan clinchen, dan leer ik je meteen kennen. Ik weet direct hoe je met spanning omgaat, hoe je met een vorm van geweld omgaat.” Het is iets na twaalven en het begint druk te worden in Guliano, de Italiaanse tent aan de Rotterdamse Meent.

Hoe kwamen we hierop? Omdat Boogers ooit „het romantische beeld” had, zegt hij, dat de schrijver zichzelf in leven kan houden met romans en wat freelancewerk voor tijdschriften. Voor Nieuwe Revu bedacht hij een interviewformat waarvoor hij en een BN’er eerst een uurtje gingen boksen. „Ik matte de ander volledig af, en daarna gingen we lunchen. Zo’n BN’er liep dan helemaal leeg, want die was moe, alle reserves waren weg. Dan praat je wat makkelijker.”

Hebben wij niet gedaan, boksen. Ik stapte uit op station Blaak, liep een stukje en ging zes minuten geleden tegenover hem zitten. Boogers zat er al, met een flesje mineraalwater van S. Pellegrino. Hij draagt een gestreept donkergrijs pak, zwarte stropdas, de haren strak naar achteren. Vlekkeloos, onberispelijk. Zo praat hij ook: de woorden goed gekozen, de zinnen strakgetrokken, de toon bevlogen.

Het schrijven voor tijdschriften deed hij hooguit twee jaar. Toen was hij het zat. Hij weet nog dat hij een stuk geschreven had en dat iemand zei: Alex, je bent niet bezig de Pulitzer te winnen, hè? Dit ligt volgende week gewoon in de kattenbak. Dat cynisme, daar had hij nog even geen behoefte aan. Hij wilde iets moois maken en er alles voor overhebben.

„Hoe dan ook”, zegt hij, „dat werk doe ik niet meer. Ik schrijf alleen boeken.”

Bruce Lee

Dit is zijn meest recente: De zonen van Bruce Lee. De uitgeverij noemt het „een sportbiografie, briefroman en coming-of-agememoires ineen”. Dat is al heel wat, maar ‘road novel’ had er ook nog wel bij gekund. Het boek is een lange brief van Boogers aan zijn zoon, een rustige jongen op de rand van volwassenheid die geweldig kan tekenen. In de zomer van 2018, tussen vwo en kunstacademie, gaan vader en zoon op reis langs de westkust van de Verenigde Staten. Ze bezoeken plekken uit het leven van Bruce Lee, wiens levensverhaal in het boek in episodes verteld wordt. Want de Chinees-Amerikaanse vechtkunstenaar (1940 - 1973) wees de jonge Boogers ooit met levenswijsheden en strijdlust meer de weg dan zijn dominante moeder en afwezige vader deden – en dat maakte hem, Alex Boogers (1970) uit Vlaardingen, de man en de vader die hij nu is.

We grapten net al even over het ‘rammen op de toetsen’: Boogers heeft vaker in interviews verteld over de bijna maniakale staat waarin hij zijn boeken schrijft. Doortikken tot hij moe is, op de bank in slaap vallen, wakker worden, vingers weer naar de toetsen. „De basis daarvan is onzekerheid”, zegt hij. „Ik heb geen controle over mijn eigen geest, mijn eigen talent” – dat meent hij meteen te moeten relativeren – „…nah, talént… over hoe ik die verhalen maak. Dus ram ik het er maar uit. Dus slaap ik niet, dus blijf ik maar doorgaan.”

Hij heeft inmiddels, na twaalf boeken, wel het vertrouwen dat die verhalen zich in hem zullen aandienen. „En wat ik dan meestal doe, is het proberen te vergeten. Want wat desondanks bij je blijft, wat je probeert te verkrachten, kapot te maken, te begraven, weg te jagen, af te schrikken, en wat dan tóch dwars door alles heen blijft terugkomen: misschien is dát wel een verhaal.” Het idee voor Alleen met de goden, zijn roman uit 2015 die de shortlist van de Libris Literatuurprijs haalde, bleef tien jaar lang terugkomen. „En dan ram ik het eruit ja, in korte tijd. Op 14 juni 2014 stonden er 10.000 woorden op papier, en op 12 september 2014 stonden er 186.000 woorden op papier. In díe periode heb ik dát boek geschreven. Maar ik heb er tien jaar voor nodig gehad om tot dat boek te kómen. Dus heb ik er nu drie maanden over gedaan, of tien jaar en drie maanden? Sommige schrijvers zeggen: tien jaar en drie maanden. En dan zijn er andere schrijvers, misschien van het wat meer nuchtere soort, die zeggen: mwah, drie maanden.”

Als ik accountmanager was geweest, had ik nu twee kinderen

Alex Boogers

Met dit nieuwe boek ging het anders. De reis langs Seattle, San Francisco en Los Angeles was gemaakt, het verhaal zat in zijn hoofd. Maar toen knalde dat hoofd in de sportschool – Boogers geeft meerdere avonden per week les – op een ander hoofd. Hij viel even in als sparringpartner omdat iemand voor een blessure behandeld werd. Hij deed een stap terug op de mat, maar een andere jongen werd net naar achteren geworpen. Kop tegen kop. Boogers ging knock-out. Hij was een minuut buiten westen en toen hij bijkwam, zei hij: ik voel mijn benen niet. Dat weet hij zelf niet eens meer, dat is hoe anderen het navertelden.

In de ambulance kwam het gevoel langzaam terug. Maar vervolgens had hij maanden last van iets wat tussen een hersenschudding en een hersenkneuzing in zat. „Ik kon niet meer over een rechte lijn lopen. Ik kon met mijn vinger mijn neus niet aanraken. Ik kon niet iets lezen en dan reproduceren wat ik net had gelezen. En ik kon niet schrijven.”

Maar hij had wel deadlines. Hij had een freelanceredacteur, en die was voor een bepaalde periode ingehuurd. „Dus ik moest door. Ik schreef letterlijk tot ik misselijk werd. Dan stapte ik even weg bij mijn laptop en ging ik op de bank liggen. De neuroloog zei: tijd, tijd, tijd. Maar ik had geen tijd.”

Eén zoon, geen geld

Alex Boogers, zelf enig kind, wilde altijd twee kinderen. Hij was 31 toen hij vader werd. Zijn vrouw werkte in „een bakkerijtje” met „een salarisje van niks” en hij schreef. Toen hun zoontje twee was, zou het logisch zijn geweest om aan een tweede te denken, maar, zegt hij, „het ging gewoon niet. Er was geen geld. Ik wil het niet schetsen als een romantisch beeld, want ik vond het juist heel irritant. We hadden huursubsidie, Brenda werkte hard en ik zat in de huiskamer, en maar hopen dat mijn boeken iets zouden gaan doen. Het was heel zwaar. We kozen ervoor te wachten. Later hebben we ervan afgezien. Zo zie je maar dat die wil om schrijver te zijn bepalend is voor hoe je leven zich ontwikkelt. Als ik accountmanager was geweest, had ik nu twee kinderen.”

Na de lunch zal hij wat tekeningen van zijn zoon laten zien, ze staan op Instagram. Een hyperrealistisch portret van James Baldwin, en twee keer een andere schrijver: zijn eigen vader. Eenmaal het werk in wording, onderschrift ‘Unfinished’, en eenmaal het eindresultaat.

„Dit kan ik echt bewonderen”, zegt de geportretteerde. „Ik heb ook nog nooit ingelogd op zijn cijfers, om te kijken of het wel goed gaat op school. Niet nodig. Nooit gedacht dat hij misschien dronk, of blowde. Nóóit. Dan kunnen mensen zeggen: wat naïef. Maar dat zegt vooral iets over hoe die ouders naar hun kinderen kijken. Ik ben niet naïef. Ik zie hem. Ik zíé hem.”

Wat dat betreft maakt hij zich dus geen zorgen. Maar wel – en dat komt terug in dit boek, maar bijvoorbeeld ook in zijn roman De tijger en de kolibrie uit 2010 – over zijn veiligheid. „Ik ben heel bang”, zegt Boogers, over tafel gebogen. „Ik ben echt heel bang. Omdat ik weet: ik ga het nooit volledig kunnen beheersen. Ik kom zelf uit een heel onveilige wereld. Ik kreeg ervan langs, ik ben in elkaar geslagen. Ik ben een vechter geworden omdat ik klappen heb gehad. En nu pakt niemand mij meer, nooit meer. Dat is een keuze geweest. In de letteren word ik weleens gezien als een soort macho; ik bén helemaal geen macho. Verre van. Ik wil me gewoon nooit meer onveilig voelen. Maar bij hem… dat heb ik niet in de hand. Dus ik zeg vaak tegen hem: als er iets aan de hand is, je botst tegen iemand op, kies de veiligste route. Verontschuldig je, ga niet de held uithangen.”

Beheersen

In dit nieuwe boek gaat het ook veel over Boogers’ wil om het leven en zichzelf te beteugelen. Maar in heel zijn oeuvre, en ook in De zonen van Bruce Lee, gaat het net zo goed over jezelf níét kunnen beheersen. Boogers kan snel boos worden op zichzelf en anderen.

„Ja”, zegt hij als ik daarover begin. „Dat is zwakte, en onmacht, en verleden, en achtergrond.” Zijn moeder sloeg hem en – dat vond hij erger – schreeuwde tegen hem toen hij een klein jongetje was. Hij zal zelf altijd blijven worstelen met die tekortkoming, zegt hij, die sluimerende agressie. „Mensen zeggen weleens: dat verandert als je ouder wordt. Maar het vuur brandt nog net zo hevig. Misschien word ik kalmer als ik lichamelijke defecten krijg. Maar nee, kalmte is mij niet gegeven. Ik moet razen.”

Tegelijkertijd is het boek uitermate liefdevol. In de delen over de vader-zoonrelatie schrijft Boogers met affectie en ontzag over zijn zoon, in wie hij delen van zichzelf herkent. Hij ziet wat er goed gegaan is. „Hij kon heel vroeg al best goed tekenen”, zegt hij. „Toen heb ik niet meteen een Van Gogh-verfdoos voor hem gekocht, maar we zorgden er wel voor dat er altijd potlood en papier in de buurt lag.” Tijdens de reis was het nog onzeker of de jongen zou worden toegelaten tot de kunstacademie, inmiddels zit hij daar. „Hij voelde dus de vrijheid om die keuze te maken. Terwijl andere ouders misschien zouden zeggen: zou je dat wel doen, kom je dan wel aan een baan? Dus ik inspireer hem ook. Dat kan mij echt ontroeren. Daar kan ik niet te lang over praten, want dan raak ik echt ontroerd.”

In Amerika vertelde hij hem nog niet over de briefvorm die het boek zou krijgen. Hij zou het later pas uitleggen – dat het, heel praktisch bekeken, gewoon een geschikte vorm is, die brief-aan-de-zoon, om Bruce Lee aan een nieuwe generatie uit te leggen en tegelijk intimiteit te creëren, tussen vader en zoon en, hopelijk, dan ook meteen tussen schrijver en lezer. „En hij begreep dat. Het is een artistieke jongen, hij snapt de vorm.”

Maar hij merkte ook dat hij het niet prettig vond als zijn zoon, net uit school, probeerde mee te lezen op de laptop. Die klapte hij dan snel dicht. En Boogers las de brief niet voor. Alleen twee fragmenten over Bruce Lee, een keer aan de eettafel. Geen stukken die over henzelf gingen. „Nee, nee. Dat moet hij in z’n eigen tijd maar doen.”