Recensie

Recensie Boeken

Slecht nieuws voor Brexiteers: de godfather van de Engelse literatuur was een Europeaan

Chaucer Brexiteers die teruggrijpen op de roemruchte, eigenzinnige Britse ‘traditie’, kunnen maar beter uit de buurt blijven van Geoffrey Chaucer. De aartsvader van de Engelse literatuur blijkt hartgrondig Europeaan, zo toont een meesterlijke biografie.

Illustratie: Joost Holscher

In de één van de minder bekende werken van de schrijver van de wereldberoemde Canterbury Tales, Geoffrey Chaucer (ca. 1342-1400), droomt zijn verteller en avatar dat hij zich in een glazen tempel vol inscripties en afbeeldingen uit Vergilius’ Aeneis bevindt. Eenmaal buiten (in een woestijn) ziet hij plotsklaps een adelaar in duikvlucht neerzwiepen, die hem oppikt en meeneemt naar hogere sferen. Een adelaar, dat belooft veel verhevens – denk aan Jupiter en Ganymedes, de evangelist Johannes of de Heilig Roomse Keizer met zijn rijksadelaar. Maar zo gemakkelijk komt een Chaucer niet los van de grond. Als het beest merkt hoe bang zijn prooi is, zegt hij amicaal: ‘Seynte Marye! Thou art nouyous for to carrye!’ Heilige Maria, wat ben jij zwaar om te dragen!

In haar spectaculaire nieuwe biografie van Chaucer haalt de Britse academica Marion Turner (van wie we na dit meesterstuk nog veel gaan horen) deze passage uit de House of Fame naar voren om te laten zien dat Chaucer, die geldt als de aartsvader van de Engelse literatuur, niet alleen zo aantrekkelijk is vanwege de bonte diversiteit aan stemmen en perspectieven in zijn werk – zeg: de objectiviteit van iemand die ‘boven’ de stof staat, en die je zo duidelijk terugvindt in de verhalen die hij zijn pelgrims op hun reis naar Canterbury laat vertellen. Tegelijkertijd weet Chaucer ook altijd sterk het oog te houden op het feit dat mensen een lichaam en gewicht hebben waar ze zelfs onder de merkwaardigste omstandigheden niet aan kunnen ontkomen. Daarom blijft hij altijd ook een dichter van de straat, en de mensen op straat. Dat heeft iets ‘typisch’ Brits.

Britse hof sprak Frans

Een curieus samengaan van individu en collectief does ring a bell wanneer men aan de Britten denkt, wier schip van staat na de Brexit van vorige week voor ons inmiddels een stip aan de horizon is. Enerzijds zijn ze graag zo ‘excentriek’ mogelijk, anderzijds zijn ze een voorbeeld van een collectief wiens vorm van politieke representatie aan de bakermat van ons moderne parlementaire systeem staat. Brexit wordt ter plaatse dan ook steevast verbonden met het toverwoord ‘traditie’: ze blijven zichzelf, en gaan daarom hun eigen weg. Van die traditie geldt Chaucer als één van de belangrijkste founding fathers.

Dat komt niet alleen omdat hij van het Britse collectief de eerste sociaal-politiek inclusieve dwarsdoorsnede schetste in de Canterbury Tales, maar ook omdat hij dat in het Engels deed – Middelengels heet dat nu, maar het is goed te volgen. Dus niet in het Latijn dat hij uitmuntend beheerste, of in het Frans dat de voertaal aan het Britse hof was waar hij uiteindelijk voor ging werken (zo Engels was Engeland dus in zijn tijd). Daarbij is Chaucer geestig (‘Britse humor’) en diepzinnig tegelijk, en loopt er een rechte lijn van Chaucer naar het werk van die andere pijler van de Britse culturele identiteit, Shakespeare. Voor Shakespeare was Chaucer een belangrijke fictionele bron (Midsummer Night’s Dream, Troilus & Cressida). Maar hij wijdde tevens zijn belangrijkste koningsdrama’s aan de vorsten die een hoofdrol in Chaucers bestaan speelden, Richard II en Henry IV.

Londendse wijnhandelaar

Kern van de Britse maatschappelijke identiteit is de twee-eenheid van kroon en volk (na Shakespeare nu opnieuw vrij briljant centraal gesteld in The Crown): twee-eenheid omdat in de Britse klassen-hiërarchie never the twain shall meet; maar één omdat beide zonder de ander niet lijken te kunnen of willen bestaan. De grootste Britse ambitie, het grootste gevaar maar, indien succesvol, ook de grootste prijs, is het om op een of andere manier uit het volk in de buurt van de kroon te komen.

Autumn (●●●●) van Ali Smith is de eerste post-Brexit roman. Lees ook: Uw hoofd is vijf millimeter te klein

Ook op dit punt scoort Chaucer hoog: zoon van een Londense wijnhandelaar, werd hij page aan het hof. Chaucer werkte eerst voor de zonen van koning Edward III. Dankzij de boekhouding van Chaucers eerste broodheer weet Turner dat Chaucer een zogenaamde paltrok droeg als 15-jarige page (een korte tuniek met daaronder zo’n heerlijk gestreepte legging om je benen te laten zien) en dus al heel vroeg zeer continentaal modieus was. Van de ene prins kwam hij bij de andere, Jan van Gent, en trouwde zelfs met de zus van diens latere vrouw. Ook bij de troonopvolgingen bleef Chaucers carrière ongebroken: hij voerde oorlog voor zijn prinselijke broodheren (werd zelfs krijgsgevangene en losgekocht), leidde departementen voor ze, was diplomaat in Henegouwen, Navarra en Italië, en schopte het tot MP.

Intieme connecties met Belgen

Voor alle fasen van Chaucers carrière is uitbundig archiefmateriaal, maar dat materiaal maakt geen gewag van zijn enorme literaire productie, en het is Turners grote verdienste om deze twee bronnen bij elkaar te brengen voor een magistraal beeld van de cultuur van de veertiende eeuw – niet in Engeland, maar in Europa. Want ook al zegt ze dat nergens met zo veel woorden, Turner (1976) geeft ons een Chaucer die slecht nieuws voor de Brexiteers is: de aartsvader van de Engelse literatuur blijkt vóór alles een Europeaan. Een veertiende-eeuwse Europeaan, dat wel: de lands- en cultuurgrenzen lagen nog heel anders dan nu. Wat nu provincies of steden zijn, zoals Navarra en Henegouwen, Milaan of Genua, waren machtige en zelfstandige spelers op het internationale politieke podium. Al die spelers, inclusief de Britse, spraken, handelden en vreeën vrij en blij met elkaar, en lazen en leenden elkaars boeken. Het ontstaan van een vernieuwende en bloeiende volkstalige cultuur in deze tijd naast de Latijnse vond dus plaats in een context van frenetieke culturele interactie.

Turner volgt Chaucer over de slagvelden van de Honderdjarige oorlog in Frankrijk, en brengt hem op een paar honderd meter afstand van de sublieme dichter-componist Machaut. Ze laat hem in Baskenland met Joden en moslims handelen, ze schetst zijn intieme connecties met wat nu Zuid-België is, en vooral: ze laat hem zich in Italië laven aan het nieuwste van het nieuwste op cultureel gebied. Zo zet ze hem eerst neer in de Santa Croce in Florence, onder de fresco’s van Giotto, en brengt die ervaring in verband met Chaucers steeds terugkerende literaire strategie van het beschrijven en tegelijkertijd ‘beleven’ van fresco’s, zoals in de tempel van glas in de House of Fame. Turner wijst er in dit verband niet op dat Giotto’s realisme niet seculier-heidens was, maar een retorisch middel om de kijker bij zijn heilige geschiedenissen te betrekken. Maar anderzijds is de vergelijking zeer inzichtelijk omdat Giotto’s figuren precies zo zwaarlijvig zijn als Chaucers avatar in de klauwen van de adelaar.

Roddelpaleis

Het is in de beschrijving van Chaucers creatieve dialoog met de Italianen dat Turner haar belangrijkste, ijzersterke these ontwikkelt. De invloed van met name Giovanni Boccaccio’s raamvertelling in de Decamerone op de Canterbury Tales is algemeen bekend, al was het alleen al doordat Pasolini beide vertellingen broederlijk naast elkaar voor het witte doek tot soft-porno heeft bewerkt. Ook in andere werken van Chaucer speelt Boccaccio’s voorbeeld telkens een belangrijke rol. Maar de boven geciteerde scène met de adelaar bevat vooral een niet te missen toespeling op Dante, die in zijn Louteringsberg ook droomt dat hij wordt opgepikt door een adelaar. Dante’s droom staat in dienst van de goddelijke openbaring in de Goddelijke Komedie, dat is: de onwrikbare macht van Rome, verpersoonlijkt door een tegelijkertijd wereldlijke en geestelijke keizer-paus van wie Dante, in navolging van zijn antieke held Vergilius, de profeet is. Vergilius had immers volgens Dante met de Aeneis een epos geschreven waarin de historische missie van Rome uitmondde in het rechtvaardige bestuur van de eerste keizer, Augustus. Maar het House of Fame waarheen de adelaar de loodzware Chaucer transporteert is een paleis waar fama (‘roem’, ‘roddel’) huist, die wordt bestookt door Jan en alleman en haar gunsten naar willekeur verdeelt. Dat paleis bevat dus niet dat énige ware verhaal van Dante, maar een chaos van conflicterende stemmen, je zou haast zeggen: een cultureel Lagerhuis.

Lees ook: De herontdekking van vier bijna vergeten Britse grandes dames

Chaucer, kortom, slikte de hemelhoge pretentie van een goddelijk gesanctioneerd keizerrijk niet. Hij toont dat door zich literair niet bij Vergilius en Dante aan te sluiten, maar bij Boccaccio en zijn antieke voorbeeld, de dichter van verandering, vrouwen en satire, Ovidius. Die had in de Oudheid al vraagtekens gezet bij de grootheid en nobelheid van Rome door het met grote regelmaat genadeloos in de maling te nemen. De Engelse nuchterheid, de Engelse humor die door latere generaties zo gretig in Chaucer herkend zijn, gaan dus terug op een confrontatie met de Italianen en hun antiek Romeinse avatars.

So much for Brexit

Maar ook een andere opvatting over de wenselijkheid van absolutisme komt uit Chaucers kennismaking met Italië voort. Op zijn laatste Italiaanse reis als diplomaat bezocht Chaucer het tirannieke hof van de Visconti in Milaan in het kader van de huwelijksonderhandelingen voor Richard II. Die waande zichzelf al haast een nieuwe keizer en zocht daar allianties voor. Het is niet voor niets dat de zogenaamde speaker (die het parlement tegenover de koning moest vertegenwoordigen) en de impeachment-procedure uit die jaren stammen, waarin de commons zich in wisselende allianties te weer stelden tegen koninklijke monopolies en privileges. Chaucer moet, zo denkt Turner, in de gewetenloze Visconti de risico’s hebben herkend van een ongebreidelde vorstelijke macht. Zijn werk gaat daarom een groeiend wantrouwen reflecteren tegen dat ‘ene’ verhaal, die heilsboodschap die geen tegenspraak duldt. Zo heeft cultureel contact tussen Europa en Engeland bij Chaucer geleid tot literatuur die weliswaar in het Engels is geschreven, maar wezenlijk verbonden is met, en opgebouwd uit het Latijn-Frans-Vlaams-Italiaans, en juist door zich met die talen en hun cultureel-politieke inhoud te verstaan zo veel zeggingskracht heeft. So much for Brexit.

Lees ook: William Shakespeare (1564-1616): Engels schrijver, bezeten door toneel

De huwelijksonderhandelingen, die overigens stukliepen, zijn misschien ook terug te vinden in Chaucers meesterwerk, het epos over de antiek Trojaanse prins Troilus en zijn geliefde Criseyde. Het thema daarin is gesol met een vrouw, die op precies dezelfde manier als koopwaar behandeld wordt als de prinsessen over wie Chaucer moest onderhandelen. In Troilus & Criseyde gaat Criseyde kapot aan mannelijke machinaties, maar haar naïeve minnaar Troilus ook. Ook dit epos eindigt met een uitzicht vanaf de sterren, maar geen triomfantelijk-imperiaal uitzicht op de prachtvolle goddelijke orde. Troilus kijkt neer op de aarde en ziet de nietigheid van het menselijk bedrijf: ‘this litel spot of erthe, that with the se / Embraced is, and fully gan despise / This wretched world’ – ‘dit kleine kluitje aarde, omarmd door de zee, en hij kreeg diepe minachting voor deze ellendige wereld’.

Troilus & Criseyde is allesbehalve een gezellige vertelling. Het is een van de aangrijpendste tragedies die de toch al zo rijke Engelse literatuur kent. Turners boek brengt de auteur ervan bewonderenswaardig dichtbij.