Als je levert, word je hier geaccepteerd

Interview Bestaat er écht een Rotterdamse stijl van leidinggeven? Er promoveren mensen op die vraag, en in een serie gaat NRC in gesprek met Rotterdamse bazen. Vandaag: Hans Smits.

Hans Smits Foto Dieuwertje Bravenboer
Hans Smits Foto Dieuwertje Bravenboer

Hans Smits (69) is interim-voorzitter van het College van Bestuur van de Erasmus Universiteit Rotterdam. Hoewel geboren in Den Haag heeft hij als oud-topman van het Havenbedrijf (van 2005 tot 2014) ruime ervaring met Rotterdam. In 2010 leidde hij als informateur en formateur de vorming van het nieuwe college van burgemeester en wethouders in de stad. Hij kent Rotterdams leidinggeven dus van meerdere kanten.

Bestaat er zoiets als een Rotterdamse stijl van leidinggeven?

„Ik zie het graag als een cultuur van leidinggeven. Toen ik als niet-Rotterdammer werd benoemd als topman van de haven werd door NRC aan prominente Rotterdammers gevraagd wat ze van mijn aanstelling vonden. Havenondernemer Hans Vervat was toen zeker niet alleen maar positief. Maar wat hij zei, kenmerkt wat mij betreft die Rotterdamse cultuur: ‘Als hij nou maar zorgt dat die Tweede Maasvlakte er komt, zal ik zeer tevreden met hem zijn’. Als je presteert en levert, word je hier geaccepteerd.”

Al duurde het bij Smits voor zijn gevoel wel twee jaar voordat hij als buitenstaander het vertrouwen van de havenbaronnen had gewonnen.

Rotterdams leidinggeven is volgens Smits „een combinatie van een pragmatische, zakelijke benadering, gecombineerd met een overmaat aan zelfvertrouwen”. Glimlacht: „Wat dat betreft lijken ze wel wat op Amsterdammers. De Rotterdamse manager houdt niet van heel lang overleggen en heeft de neiging om experimenten aan te gaan. Als je buiten de lijntjes durft te gaan, dan brengt je dat verder.”

Wie een uurtje met Smits spreekt, begrijpt waar die periode van gewenning vandaan komt. Waar andere Rotterdamse bazen er niet voor terugdeinzen hun argumenten vergezeld te laten gaan met een paar krachttermen, blijft Smits in de plooi. Niet lullen maar poetsen? „Met zo’n term hoef ik thuis niet aan te komen. De mouwen opstropen, geen woorden maar daden, dat spreekt me als groot Feyenoordfan meer aan.”

In één van uw vorige functies was u directeur van Schiphol, ook een zeer internationaal bedrijf. Kunt u die twee met elkaar vergelijken?

„Het havenbedrijf is in fysieke zin zo groot, dat de maatschappelijke impact veel breder is en veel meer bewoners treft. Als havendirecteur ben je daarom continu in overleg met buurgemeenten. Schiphol is meer een enclave. De internationale impact van beide bedrijven is natuurlijk vergelijkbaar, al staat de haven natuurlijk wel in de canon van de Nederlandse geschiedenis.”

‘Niet lullen maar poetsen’, ook met Generatie Z

In 2010 was u informateur bij de collegevorming van de gemeente Rotterdam. Bent u tijdens dit proces tegen Rotterdamse eigenaardigheden aangelopen?

„Op zich ging het om normale politieke onderhandelingen, maar ik heb ze wel onder hoge tijdsdruk geplaatst. De gemeenteraadsverkiezingen waren op 3 maart en ik wilde er voor Koninginnedag uit zijn. Soms was dat lastig, omdat politici laat hun bed uitkomen er ook laat weer ingaan. Op een gegeven moment ontstond er een patstelling over de verdeling van de wethoudersposten. Toen hebben we dat opgelost door parttime wethouders te introduceren, terwijl iedereen wel wist dat het wethouderschap iets is wat je niet even erbij doet. Dat was een typische, pragmatisch-Rotterdamse oplossing.”

U bent nu interim-voorzitter van de Erasmusuniversiteit. Wat maakt deze – toch zeer internationale – opleiding nog typisch Rotterdams, of zou de universiteit overal in Nederland of Europa kunnen staan?

„Vooropgesteld: de voertaal hier blijft Nederlands, zo staat het ook in ons strategiedocument voor 2024. In onze kernwaarden staat dat we tegelijk wereldburger willen zijn maar ook verbinden in de regio. Aangezien de helft van ons werk bestaat uit onderzoek zien we de delta waarin we wonen als een living lab. Het verzorgingsgebied van Erasmus MC, het grootste medische complex van Nederland, beslaat de hele regio en erbuiten. Voor onze economische faculteit is de haven met zijn ongelooflijke hoeveelheid industrieën nog altijd belangrijk. En voor social sciences is een stad met meer dan honderd nationaliteiten natuurlijk een goudmijn. De kennis die uit dat onderzoek voortvloeit neem je mee naar de wereld.”

Onlangs kondigde de Erasmus Universiteit aan intensief te gaan samenwerken met de TU Delft. Wordt de universiteit daarmee minder Rotterdams?

„Natuurlijk is het grensverleggend en een keerpunt voor de universiteiten, maar ik denk niet dat we daardoor minder Rotterdams zullen worden. In onze plannen staat zelfs dat we meer in de stad gaan doen. Wellicht gaan we zelfs iets bij het nieuwe Feyenoordstadion bouwen en zijn we straks aan beide kanten van de Maas zichtbaar.”

Wat is het meest Rotterdamse dat u als manager hebt gedaan?

„Dat was rond de aanleg van de Tweede Maasvlakte. In 2008 hadden we, na jaren van vertraging, eindelijk de benodigde vergunningen binnen. Alleen liep er toen nog een aantal procedures bij de Raad van State. De vraag was: wacht je met de aanleg totdat die achter de rug zijn? Ik heb daar een slapeloze nacht van gehad, en ben toen met burgemeester Opstelten en de Raad van Commissarissen in gesprek gegaan. In Den Haag of Amsterdam was dit nooit mogelijk geweest, dus ons besluit was typisch Rotterdams: Opstelten en ik hebben niet gewacht maar symbolisch de eerste schep zand gegooid.”