Opinie

Laat de beelden van Afrikaners zien, maar als collectie

Leefbaar Rotterdam wil dat de verdwenen borstbeelden van Afrikaners terugkomen in Rotterdam. De beelden vormen volgens Leefbaar „cultuurgeschiedenis die gekoesterd moet worden”. Polariserend geleuter over blanke stamverwantschap, zegt Siebe Thissen. Hij wil de beelden ook terug, maar dan als één collectie en mét context die mensen uitnodigt tot nadenken.

Illustratie Rik van Schagen
Illustratie Rik van Schagen

Leefbaar Rotterdam is op zoek naar verdwenen borstbeelden van Afrikaners uit de (Tweede) Boerenoorlog, schrijft Mirjam de Winter (NRC, 31 januari 2020). Uit een bescheiden onderzoek dat ik in 2018 uitvoerde bleek dat de beelden helemaal niet zijn verdwenen. Vanwege sloop en nieuwbouw in de Afrikaanderwijk raakten de beelden echter wel op drift.

Zes stuks bevinden zich sinds 2000 in het depot van Museum Rotterdam; drie beelden zijn door Vestia in 2015 teruggeplaatst in portieken in de Bloemfonteinstraat en de Brede Hilledijk; en een laatste beeldengroep is nog steeds zichtbaar, in de Martinus Steynstraat, boven Café Arena. Met de naderende sloop van de Tweebosbuurt gaat ook dit ensemble een onzekere toekomst tegemoet. Slechts twee bustes zijn werkelijk verdwenen. Volgens Vestia waren ze zo zwaar gehavend dat restauratie uitgesloten was. Dat klinkt aannemelijk, want alle beelden werden in 1902 gerealiseerd en trotseerden een eeuw lang weer en wind.

Als collectie zijn de veertien beelden in historisch opzicht waardevol. Artistiek gezien stellen ze echter weinig voor. De Afrikaner generaals en presidenten die de daklijst van het rechter woonblok op de hoek van de Paul Krugerstraat en de Bloemfonteinstraat sierden zijn zelfs ronduit armetierig.

‘Aanstootgevende’ kunst heeft het moeilijk buiten in Rotterdam

Ook de historische betekenis van de beeldengroep laat zich niet eenvoudig duiden. De Britse psychoanalyticus Darian Leader beweerde in Stealing The Mona Lisa (2002) dat het beroemde schilderij van Leonardo da Vinci eerst wereldfaam verwierf nadat het werk in 1911 werd gestolen. Massaal stroomde het publiek naar het Louvre om de lege plek te bewonderen. Een vergelijkbaar spektakel voltrekt zich in de Afrikaanderwijk. Op de leegte die de beelden achterlieten wordt een ratjetoe van pseudo-historische kwalificaties geprojecteerd.

Het aardige van deze collectie borstbeelden is juist de gelaagdheid van het geheel; de veelheid van verhalen, de verknopingen van Rotterdam met de wereld. Maar die kennis is opgelost in de tijd – al lang voordat de beelden uit de wijk verdwenen. Wie kent nog Jan de Bruyn? Zijn buste sierde een winkelpand in het linker woonblok op de hoek van de Paul Krugerstraat en de Bloemfonteinstraat. De Bruyn was een oorlogsvrijwilliger in de Boerenoorlog. Na zijn terugkeer werd hij niet als jihadstrijder in een kamp geïnterneerd, maar kon hij tot directeur van het Rotterdamse havenbedrijf Müller & Co worden benoemd.

Of Abraham Fischer? Deze jurist uit Oranje Vrijstaat werd eveneens met een borstbeeld vereerd. Zijn kleinzoon, de advocaat en communist Bram Fischer, zou in 1964 Nelson Mandela verdedigen. Dat niet alleen vechtersbazen maar ook leden van de ‘deputatie’ borstbeelden aan een winkelpand verwierven is curieus. Dit gezelschap diplomaten zocht zonder succes in Europa steun voor de Boerenoorlog tegen de Britten. Een Nederlandse minister noemde hen „Gelderse boeren, met de slimheid en achterdocht aan die stand eigen, die zich nog veel meer voelen, omdat zij in eigen land de eerste en heersende klasse zijn”. Die noties van stamverwantschap en solidariteit in Nederland moeten we dus niet overschatten.

De reclamelijst in de Martinus Steijnstraat vertelt een ander verhaal, over een verloren oorlog. Hoog op de lijst prijkt de naamgever van de straat, de president van Oranje Vrijstaat. De lijst steunt, als een guillotine, op de nekken van de twee grootste Britse boosdoeners: Joseph Chamberlain (Minister van Koloniën) en Cecil Rhodes (ondernemer en imperialist). De begeleidende tekst zegt: Wij Rhodes en Chamberlain dragen nu de last van Steyn. In dagbladen uit 1902 kan je lezen hoe deze vernedering van de Britten op de lachspieren van Rotterdammers werkte.

Dit soort verhalen ligt óók verborgen in de beeldengroepen van de Afrikanerwijk. Helaas verhindert polariserend geleuter over blanke stamverwantschap of racistisch boevengedrag ons vermogen de beelden opnieuw onder ogen te komen. Ook ik ben voor een terugkeer van de beelden, maar dan als een bloemlezing, permanent gepresenteerd in één ruimte, waar tekst en context worden geboden, en mensen worden uitgenodigd mee te denken over heden en verleden. Zo’n plek is er al. Het Gemaal op Zuid aan het Afrikaanderplein bijvoorbeeld. Hier vond onlangs het programma Wider Perspectives plaats. De Schots-Jamaicaanse kunstenaar Hannah Dawn Henderson presenteerde een fascinerende reeks foto’s over de Afrikaanderwijk. Ze portretteerde horeca- en winkeluitingen (vaak Turkse en Marokkaanse teksten), samen met straatnaambordjes, zoals Paul Krugerstraat/Bruidshuis Laaroussa. Daaronder gaf ze de betekenis van beide weer.

De Afrikaanderwijk is vernoemd naar pioniers die elders in de wereld een toekomst opbouwden. Nu telt de Afrikaanderwijk veel pioniers die hier een toekomst opbouwen. In dit spanningsveld geven Rotterdammers vorm aan hun leven.

hoofd BKOR.