Wat zegt de zelfberispende mens?

Ewoud Sanders

Woordhoek

Stel, u loopt naar de keuken om iets te halen, maar eenmaal daar weet u niet meer wat. U besluit vervolgens iets uit de koektrommel te pakken, maar laat die vallen. De vraag is: zegt of roept u nu iets? En zo ja, wat?

De laatste decennia is er veel onderzoek gedaan naar hoe wij anderen uitschelden, maar bij mijn weten is niet of nauwelijks onderzocht hoe wij onszelf uitschelden of berispen.

Om hier een beeld van te krijgen deed ik een oproep op Twitter. Ruim honderd mensen reageerden. Hieronder mijn bevindingen, maar eerst dit. Een belangrijk verschil tussen anderen en jezelf uitschelden is dat de zelfberisping kan plaatsvinden onder twee omstandigheden: in je eentje of met publiek. Dit blijkt uit te maken voor de woordkeus.

Zo schreef een vrouw: „Als er niemand in de buurt is en het is echt erg dan noem ik mezelf wel eens trut, anders eerder tut, sukkel.” Een andere vrouw schreef: „Met publiek: tuttebel. Zonder publiek: kuttekop.” Kortom: de solo-zelfberisper is doorgaans grover. Bij mannen zien we hetzelfde patroon.

Bij zowel mannen als vrouwen scoorden hoog: klungel, prutser, rund, sukkel, sufferd, sufkop, stommeling en stommerd – u moet het uitroepteken er steeds bij denken. Als uitbreidingen werden genoemd: stomme eend en stomme trut.

Opvallend vaak genoemd door vrouwen: doos. Met als versterkingen: domme doos en superdoos. Uit hetzelfde domein: sufkut, muts, tutmuts, kutjanus, trut, truttebol en tuttebus.

Ook de zelfberispende man verwijst nogal eens naar zijn genitaliën. Genoemd werden onder meer: lul, lul-de-behanger, lulletje, lulhannes, kloothommel, klootjanus, klootviool, klojo, stomme kloot en het inclusieve kutjepiel.

Fraai vond ik de aanmoedigingen om alert te blijven. Te denken valt aan uitroepen als: „Wakker blijven jij”, en kijken!.

Beetje zwaar aangezet: „Ik wil dood.” Lekker kort: kak! Mooi woord dat je nog maar weinig hoort of leest: stoethaspel. Hetzelfde geldt voor druiloor.

Een leuke verrassing vond ik deze, ingestuurd door een Vlaamse vrouw van 85: „Wanneer ik een stommiteit bega zeg ik ‘Gij kieken!’ [kuiken]. En ook soms ‘Kalf van Mozes!’ Als er zich een gevaarlijke situatie voordoet, iets dat dreigt te vallen bijvoorbeeld, roep ik nog altijd: MAMA!!! Echt waar!”

Kalf van Mozes kende ik niet. Dit lijkt een Bijbelse verwijzing, maar deze precieze woordcombinatie komt in de Schrift niet voor. Het gaat hier om een uitdrukking die al voorkomt sinds het begin van de achttiende eeuw en die kennelijk nog voortleeft.

Sommige mensen bestraffen zichzelf door hun naam te benadrukken, zoals bij een standje. Zo schreef een vrouw: „Ik zeg vaak mijn naam, op een geïrriteerde toon. Jónne! En heel vaak corrigeer ik mezelf dan ook weer, dat ik mezelf niet zo hard moet vallen :)”

De opmars van het Engels klinkt door in deze reactie. „Ik zeg: ‘oh serieus?!’ Of ‘seriously?!’ als ik me een dagje internationaal wil uitdrukken.”

Ge-gvd, zo gangbaar bij scheldpartijen, werd relatief weinig genoemd. Wel schreef een vrouw: „Meestal zeg ik: ‘Jeeeeezus, doos!’ Als ik iets kapot maak/laat vallen: ‘Gotvâh!’ (ben Haags). Als het de zoveelste stommiteit van de dag is, niet ongewoon voor iemand met mijn klunscapaciteiten: ‘Ja joh, gaat weer lekker.’” Zelf zeg ik overigens: „Hè eikel!” Vaker dan me lief is.

schrijft elke week over taal. Twitter: @ewoudsanders