De agent gaf zijn dna niet af

Deze rubriek belicht elke woensdag kwesties uit het bedrijfsleven waarover de rechter zich onlangs uitsprak. Deze week arbeidsrecht.

Foto Lex van Lieshout/ANP

Politiemensen wordt gevraagd op vrijwillige basis hun dna af te staan voor een dna-eliminatiedatabank. Daardoor kunnen sporen die agenten achterlaten op de plaats van een delict snel worden uitgesloten van het politieonderzoek. Twee agenten weigeren echter hun dna af te staan. Dat heeft gevolgen voor hen: hun korpschef geeft de twee geen toestemming op de plaats van een delict te komen. De kwestie komt voor de rechter, want de agenten menen dat de korpschef inbreuk maakt op hun grondwettelijke recht op onaantastbaarheid van hun lichaam.

Vorige week donderdag diende het hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep. Anders dan de rechter in eerste aanleg stelt de Raad dat de agenten „geen vrije keuze hadden, omdat zij hun toestemming niet konden weigeren zonder (aanzienlijke) nadelige gevolgen”. De Raad spreekt van een ongeoorloofde inbreuk op het recht van onaantastbaarheid van het lichaam, aangezien een wettelijke grondslag ontbreekt. En dus had de korpschef de agenten, vanwege hun weigering dna af te staan, niet mogen weigeren te werken op plaatsen waar een delict heeft plaatsgevonden.