Recensie

Recensie Beeldende kunst

De adembenemend geschilderde illusies van Jan van Eyck

Tentoonstelling Deze kans krijgt u nooit weer: zoveel geweldige schilderijen van Jan van Eyck zien samen met zijn Italiaanse concurrenten. Hij kon bovenmenselijk goed kijken en schilderen. Het ‘Lam Gods’ is na 500 jaar eindelijk schoongemaakt.

Jan van Eyck, Heilige Franciscus ontvangt de stigmata, ca. 1430-1432. Olieverf op vellum op paneel, 12,7 x 14,6 cm.
Jan van Eyck, Heilige Franciscus ontvangt de stigmata, ca. 1430-1432. Olieverf op vellum op paneel, 12,7 x 14,6 cm. Foto Philadelphia Museum of Art

Het is natuurlijk geen wedstrijd. Toch word je op de grote Van Eyck-tentoonstelling in Gent voortdurend uitgedaagd om vergelijkingen te maken tussen de grote schilders uit de vijftiende eeuw. Van Eyck. Een optische revolutie toont het werk van de Vlaamse schilder Jan van Eyck (ca. 1390-1441) naast dat van Italiaanse tijdgenoten als Fra Angelico, Masaccio en Pisanello. En ja, het moet gezegd: keer op keer komt Van Eyck in die dialogen als winnaar uit de bus.

Lees ook het interview over de restauratie van het Lam Gods

De tentoonstelling, door het Museum voor Schone Kunsten georganiseerd naar aanleiding van de restauratie van De aanbidding van het Lam Gods, is zo’n evenement dat door marketeers als ‘once in a lifetime’ wordt aangekondigd. In dit geval zijn die superlatieven terecht. Niet eerder zijn zoveel schilderijen van Jan van Eyck bijeengebracht. Wereldwijd zijn er drieëntwintig werken van zijn hand bekend – de telling wisselt, over niet alle toeschrijvingen is consensus – en dertien daarvan zijn nu in Gent te zien. Tel daar nog eens negen schilderijen uit Van Eycks atelier bij op, plus meer dan honderd topstukken van tijdgenoten, afgestaan door ruim zeventig bruikleengevers. Dan weet je dat de zes curatoren van deze tentoonstelling een huzarenstuk hebben geleverd dat niet snel kan worden herhaald.

Kern van de tentoonstelling zijn de acht gerestaureerde buitenpanelen van het Lam Gods, plus de twee nog niet gerestaureerde panelen met Adam en Eva, die normaal gesproken de bovenhoeken van het altaarstuk sieren. Op hun vaste plek in de Gentse Sint-Baafskathedraal torenden de monumentale naakten hoog boven de bezoeker uit en werden ze door een glazen wand op afstand gehouden. Maar nu, in het museum, hangen ze op ooghoogte en kun je met je neus op hun huid zitten. Dat is een ware revelatie. Het pluizige haar dat over Eva’s schouders valt, of het schaamhaar van Adam: het is zo extreem realistisch geschilderd dat het driedimensionaal lijkt. Nu pas valt je op hoe schattig Adams teentjes over de rand van de lijst priemen, alsof hij er ieder moment uit ontsnappen kan.

De panelen van het Lam Gods vormen de leidraad van de tentoonstelling, die langs dertien zalen leidt met thema’s als ‘Moeder en kind’, ‘Het individu’, ‘Heiligen in een landschap’ of ‘Architectuur’. In de eerste zes zalen is er nog geen echte Van Eyck te zien en wordt vooral de leefwereld van de schilder inzichtelijk gemaakt. Hoe hij als kamerheer en hofschilder van de Bourgondische hertog Filips de Goede (1396-1467) in de hoogste kringen verkeerde en toegang had tot bibliotheken en wetenschappers. Hoe hij, dankzij de bloeiende economie van lakensteden Brugge en Gent, talloze rijke burgers als opdrachtgever had en deel kon uitmaken van een artistiek circuit vol getalenteerde ambachtslieden.

Zo wordt de spanning op slimme wijze opgebouwd, tot je in zaal 7 tegen de eerste wonderen van Van Eycks schilderkunst aanloopt: Adam en Eva, de eerste monumentale naakten ten noorden van de Alpen. De extreem gedurfde composities moeten in die tijd een aardschok teweeg hebben gebracht. Hoe invloedrijk het tweetal was, blijkt wel uit de vele kopieën die er in de jaren erna van gemaakt zijn en die er nu tegenover hangen.

Jan van Eyck, Portret van een man met blauwe kaproen, ca. 1428−1430. Olieverf op paneel, 22 x 17 cm. Foto Muzeul National Brukenthal, Sibiu (Roemenië)

Diepe helderheid

Ook in Toscane, en met name in Florence, vond in de vijftiende eeuw een schilderkunstige revolutie plaats. Daar bekwaamden schilders als Masaccio en Fra Angelico zich in het mathematische lijnperspectief. Ook zij slaagden erin om religieuze voorstellingen te schilderen die behoorlijk levensecht leken. Maar in Italië werkten de schilders in eitempera, een verfsoort met een wat matte uitstraling. Van Eyck was er intussen in geslaagd om de olieverftechniek, tot die tijd een nogal onpraktisch medium, te verfijnen door er bepaalde stoffen, zogenaamde siccatieven, aan toe te voegen, waardoor de droogtijd korter werd. Doordat Van Eyck heel dunne, transparante lagen olieverf over elkaar heen aanbracht, kregen zijn kleuren een prachtige diepte en helderheid. En dus lijken zijn schilderijen op deze tentoonstelling licht te geven, en dringen ze zo de veel fletsere Italiaanse schilderijen naar de achtergrond.

In kunstboeken is veel geschreven over de verschillen en overeenkomsten tussen de noordelijke en zuidelijke schilderkunst in de vijftiende eeuw. Maar om de werken hier fysiek naast elkaar te zien hangen, is onvergetelijk. Vergelijk bijvoorbeeld Masaccio’s Maria met kind (1426), een bruikleen van het Uffizi in Florence, met Van Eycks Madonna bij de fontein (1439) uit Antwerpen. Bij Masaccio heeft het Christuskind nog een waterhoofd en lijkt het op een pop. Maar Van Eycks Madonna straalt één en al tederheid uit. Moeder en kind kijken elkaar aan. Christus grijpt met zijn kleine handje naar haar haren, zoals baby’s dat doen. Het grootste verschil zit hem echter in het materiaalgebruik. Masaccio gebruikte bladgoud om zijn Maria een goddelijk aura te geven. Van Eyck had geen goud meer nodig, hij kon dat goud schilderen zoals niemand anders dat kon.

Bij iedere vergelijking die op deze tentoonstelling gemaakt wordt, blijkt Van Eyck niet te evenaren. Omdat hij zoveel losser, realistischer en vooral menselijker schilderde dan zijn tijdgenoten. Kijk naar zijn schilderij De heilige Franciscus ontvangt de stigmata uit circa 1430, en naar de voorstelling van exact hetzelfde tafereel dat Fra Angelico rond diezelfde tijd schilderde. Bij Fra Angelico zijn die stigmata niet meer dan rode stippen. Diens Franciscus lijkt nog het meest op een stripfiguur, met zijn harde contouren en hoekige gewaad. Bij Van Eyck daarentegen is de heilige een mens van vlees en bloed: een man van middelbare leeftijd, met een onderkin en een wijkende haarlijn. Bij hem zijn Franciscus’ voetzolen gerimpeld, en gutst het bloed levensecht uit de wonden naar buiten.

Jan van Eyck, Portret van Jan de Leeuw, 1436. Olieverf op paneel, 33 x 27,5 cm. Foto Kunsthistorisches Museum Wenen, Gemäldegalerie

Bovenmenselijk goed

Hoe kan het toch dat Jan van Eyck aan het eind van de Middeleeuwen, zoals curator Maximiliaan Martens het verwoordt, „als een komeet uit het duistere niets” tevoorschijn schoot? De hoogleraar kunstgeschiedenis aan de Universiteit Gent noemt drie oorzaken. Niet alleen verbeterde Van Eyck de olieverftechniek, waardoor hij zo’n beetje alle objecten en hun oppervlak perfect kon nabootsen, hij kon ook enorm goed kijken. Van Eyck zag hoe licht reflecteert in een edelsteen, of hoe individuele druppels in een fontein opspatten – dingen die met het blote oog bijna niet te observeren zijn. Zijn oog-handcoördinatie moet subliem geweest zijn. Want details zien is één ding, je moet ze vervolgens ook nog kunnen vastleggen. Van Eyck schilderde zo extreem fijntjes dat we pas nu, dankzij fotografische technieken die ieder detail van zijn schilderijen kunnen uitvergroten, echt kunnen zien hoe bovenmenselijk goed hij was.

Daarbij was hij behoorlijk bereisd en belezen. Hij had kennis van klassieke auteurs en was onderlegd in kunst en wetenschap. Van Eyck snapte de wetten van de geometrie en de optische werking van het licht. Als een regisseur speelde hij daarmee in zijn schilderijen. Op het Lam Gods bijvoorbeeld, schilderde hij precies de werkelijke lichtval van de kapel in de Sint-Baafskathedraal waar het altaarstuk na voltooiing kwam te hangen. Zodat het lijkt of het kunstwerk daadwerkelijk wordt beschenen door het natuurlijke licht dat daar vanaf de rechterkant door de ramen valt.

Het mooist komt Van Eycks adembenemende illusionisme tot zijn recht in de zaal met portretten. In totaal acht gezichten kijken je hier vanaf de wanden aan, waaronder die van Joos Vijd en zijn echtgenote Elisabeth Borluut, de opdrachtgevers van het Lam Gods. Sinds de Romeinse tijd waren er in Europa nauwelijks realistische portretten geschilderd. Van de portretten die er waren, was de weergave meestal in profiel. En toen was er opeens Van Eyck, die gezichten schilderde van echte mensen, die je aankeken. Dat was pas echt een revolutie.

In 1436 portretteerde Jan van Eyck een bevriende kunstenaar, de 35-jarige Brugse goudsmid Jan de Leeuw. Vriendelijk, een beetje timide, kijkt hij je aan. Je ziet de stoppels op zijn bovenlip, zijn dunne wimpers en het waterige randje oogvocht daar vlak boven. Het is allemaal zo tastbaar dat je deze aardige jongeman zou willen aanraken. Alsof er geen zes eeuwen tussen jou en hem zitten, en je hem zo tegen het lijf zou kunnen lopen, hier in een Gents café.

Achtergrond restauratie pag. C6-7