Opinie

Ruimte

Ellen Deckwitz

Afgelopen vrijdagavond zat ik met mijn zus en moeder in de trein. Het was laat, we waren moe en halverwege de rit stapte er opeens een club tieners in, en met hen een wolk aan kabaal. Mijn zus en ik zetten ons schrap: onze moeder kan niet tegen lawaai. Dat is ook niet meer dan normaal wanneer je, zoals zij, een scherper gehoor hebt dan Stevie Wonder. Die hoort nog een wimper vallen. We mochten vroeger thuis roken, seksen en drinken, maar zodra we kabaal maakten kwam ze woedend de kamer binnengestormd.

De tieners waren uitgelaten: het was weekend, er hing een mist aan tabak en alcohol om hen heen en het rumoer dat ze maakten, deed de treinraampjes daveren. Ongerust keken mijn zus en ik naar onze moeder: als oud-docent heeft die er geen moeite mee om tegen minderjarigen uit de slof te schieten, maar tot onze verrassing bleef ze kalm. Terwijl de jongeren op de luidste stand elkaar het ene na het andere filmpje op hun iPhone lieten zien, vertrok mijn moeder geen spier. Twee haltes later stapten de tieners onder luid gejuich weer uit. We keken met een schuin oog naar onze moeder, angstig om de scheldkannonade die gewoonlijk volgt op ongevraagd lawaai.

„Zo, met die longetjes is niets mis”, zei ze gemoedelijk.

„Hoezo ontplof jij niet”, zei mijn zus enigszins verontwaardigd, „vroeger hadden wij voor het produceren van de helft van dat aantal decibellen al kleedgeldvermindering gekregen.”

„Nou ja, je wordt een dagje ouder”, zei onze moeder zen, waarop we het al helemaal niet meer vertrouwden.

‘Ben je hardhorend aan het worden?”, vroeg ik verontrust, „of seniel?” „Nee”, zei ze geamuseerd, „ik had onlangs een openbaring. Jonge mensen maken juist lawaai zodat anderen hen kunnen horen. Ik weet nog wel dat toen ik op die leeftijd was, ik het gevoel had dat niemand écht naar me luisterde. Thuis niet, op school niet. En ik herinnerde me hoe bevrijdend het dus was om mezelf buiten de deur wél te laten horen. Dat mensen niet om me heen konden. Dat was, hoe vervelend ook voor mijn omgeving, voor mij een vorm van emancipatie, van een plek voor mezelf opeisen, juist op een leeftijd waarop je het gevoel hebt dat je amper bestaat. Wat luidruchtige jongeren eigenlijk zeggen is: laat er alsjeblieft een plek voor ons zijn. Dus ik dacht: roep maar jongens. Neem die ruimte maar in. Tetter maar, dacht ik, tot jullie eindelijk het gevoel hebben dat jullie bestaan, en dat dat oké is.”

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.