Bemoeide justitie zich met de vervolging van Wilders?

Zaak-Wilders Het ministerie van Veiligheid en Justitie volgde de zaak-Wilders nauwlettend. Was er druk op het Openbaar Ministerie?

Geert Wilders en zijn advocaat Geert-Jan Knoops, die al eerder vroeg om beëindiging van de zaak tegen zijn cliënt.
Geert Wilders en zijn advocaat Geert-Jan Knoops, die al eerder vroeg om beëindiging van de zaak tegen zijn cliënt. Foto Lex van Lieshout/ANP

Ambtenaren van het ministerie van Veiligheid en Justitie reageren in september 2014 positief op de beslissing van het Openbaar Ministerie om PVV-leider Geert Wilders te vervolgen voor zijn ‘minder Marokkanen’-uitspraak van een half jaar daarvoor. Zo schrijft een afdelingshoofd dat de beslissing hem „begrijpelijk voorkomt”. Een medewerker antwoordt: „Ik vind het ook een verdedigbaar verhaal.” Een derde: „Kan me er wel in vinden.”

Wel hebben de ambtenaren de nodige vragen. Bijvoorbeeld over de motivatie van het OM. Gelooft het er echt in? Heeft een rechtszaak tegen Wilders echt kans van slagen? Waarom laat het OM Wilders in een tweede, vergelijkbare zaak wegkomen, waarbij de PVV-voorman eveneens lijkt aan te dringen op minder Marokkanen? „Waarom niet voor beide gaan?”, vraagt het afdelingshoofd. Het departement wil daarom „wat juridische vraagpunten meegeven aan het OM”, schrijft hij op 16 september.

Aldus geschiedt. Een dag later meldt een ambtenaar van het ministerie van Justitie „even met een collega van het PAG [Parket-Generaal] te hebben gesproken.” Hij kan zijn collega’ s op het ministerie geruststellen. „Het OM gelooft echt in de zaak. Men is ervan overtuigd dat veroordeling zal volgen.” Ook de vragen van de ambtenaren zijn overgebracht aan het OM.

Het zijn deze gedachtewisselingen die woensdag minutieus tegen het licht worden gehouden in het hoger beroep in de strafzaak tegen Wilders vanwege diens ‘minder Marokkanen’ -uitspraak tijdens een verkiezingstoespraak in maart 2014.

De uitlatingen van de ambtenaren komen uit interne stukken die minister Ferd Grapperhaus (Justitie en Veiligheid, CDA) maandag openbaar heeft gemaakt. Dat gebeurde op verzoek van de rechtbank Utrecht . Er was twijfel ontstaan over mogelijke bemoeienis vanuit het ministerie met het proces. Uit eerdere stukken bleek dat het ministerie het requisitoir van het OM tegen Wilders had opgevraagd om daar vooral commentaar op te kunnen geven. Verdroeg zich dat wel met de scheiding der machten?

Wilders stelde dat die politieke bemoeienis er vanaf het begin was geweest. Volgens hem hadden de minister en zijn ambtenaren bij het OM aangedrongen op vervolging in de zaak waarbij hij door de rechtbank in 2016 werd veroordeeld wegens groepsbelediging en discriminatie, zonder strafoplegging.

Het OM en de minister ontkenden bij hoog en laag dat het OM onder druk was gezet om Wilders te vervolgen. Wel werd er gewezen op de politieke verantwoordelijkheid die de minister voor het OM heeft. Die bracht met zich mee dat de minister zich liet informeren door het OM over het hoe en waarom van de juridische procedure tegen Wilders.

Lees ook: Wilders is ‘misselijk’ maar het hof gaat door

Wie de meer dan duizend gepubliceerde pagina’s doorleest die de rechter woensdag moet beoordelen, stuit niet meteen op een ‘smoking gun’ die de stelling van Wilders bewijst. Uit de stukken, voor zover niet weggelakt, blijkt vooralsnog geen actieve druk vanuit het ministerie op het OM tot vervolging van Wilders. Ambtenaren zijn zich juist bewust van de politieke gevoeligheid van het proces en de noodzaak tot afstand.

De zaak-Wilders is een „tricky onderwerp”, schrijft een ambtenaar. Dat blijkt bijvoorbeeld in april 2015. Een moslimorganisatie in Oostenrijk heeft aangifte gedaan tegen PVV-leider Wilders. De Oostenrijkse minister van Justitie wil van zijn Nederlandse ambtgenoot Ard van der Steur (VVD) advies hoe daarmee om te gaan. Hou afstand, is het ambtelijk devies. Een ambtenaar waarschuwt op 10 april: „Voor je het weet krijgt het een tips-and-tricks-om-Wilders-aan-te-pakken-gehalte”.

Overigens zou niet iedereen daar problemen mee hebben gehad. Oud-journalist en media-adviseur Ton Planken geeft, blijkens een van de vrijgegeven stukken, minister Ivo Opstelten een jaar eerder ongevraagd advies hoe kabinet en Kamer gezamenlijk op „foute uitlatingen van Wilders” zouden moeten reageren. Planken wordt vriendelijk bedankt.

Fitna

De betrekkelijk afstandelijke houding in de periode-Opstelten wijkt enigszins af van die van minister Ernst Hirsch Ballin (CDA) in 2008. Toen lanceerde Wilders zijn film Fitna. De Volkskrant vroeg stukken over deze periode op. Anders dan bij de ‘minder-minder-minder-uitspraak’ weigerde het OM de filmische uiting te vervolgen.

Daarop liet Hirsch Ballin deze beslissing meerdere keren door externe deskundigen onderzoeken. Mogelijk deed hij dat omdat Hirsch Ballin, zelf gepromoveerd jurist, ontevreden was met het OM-besluit tot sepot en diens motivering. Het OM hield voet bij stuk. Het werd echter in een aparte procedure gedwongen Wilders te vervolgen, die in deze zaak werd vrijgesproken.

Terug naar de zaak die woensdag in hoger beroep wordt behandeld. Als het OM in september 2014 zijn besluit heeft genomen om Wilders te gaan vervolgen vanwege zijn oproep tot ‘minder Marokkanen ’, zit het ministerie niet stil. Er wordt, blijkt uit allerlei mailwisselingen, druk over de beslissing gereflecteerd.

Een ambtenaar valt het op dat het OM weinig heeft gedaan met de opmerking „dan gaan we dat regelen” van Wilders aan het eind van diens toespraak op de bewuste verkiezingsavond. „Deze actiebereidheid/aanzet om de daad bij het woord te voegen speelde, denk ik, ook in eerdere zaken een rol”, schrijft de ambtenaar op 16 september aan een collega. Die belooft ook deze kwestie aan het OM over te brengen.

Hoe het hof deze communicatie tussen het ministerie en het OM beoordeelt, zal woensdag blijken.

Correctie (5 februari 2020): In een eerdere versie stond dat de openbaarmaking van documenten op verzoek van het Haagse gerechtshof gebeurde. Dat is incorrect, het betreft de rechtbank Utrecht. De tekst is aangepast.