Opinie

De weg naar een diverser kunstbestel is hobbelig, maar kansrijk

kunstsubsidies

Commentaar

Maanden hebben tientallen podiumkunstinstellingen zwetend toegewerkt naar afgelopen vrijdag: de deadline voor de subsidieaanvragen bij Rijk en gemeenten voor het kunstenplan 2021-2024. Voor het eerst konden genres als urban arts, popmuziek en ontwerp rijkssubsidie aanvragen. Minister Ingrid van Engelshoven (Cultuur, D66) heeft er 8,6 miljoen voor overgeheveld van het Fonds Podiumkunsten naar de Basisinfrastructuur (BIS), waarin tot nu toe alleen grote instellingen zaten als symfonieorkesten en De Nationale Opera. Het doel: een betere afspiegeling zijn van de verschillende voorkeuren in de samenleving én het culturele veld.

Voor gezelschappen die straks worden toegelaten tot de BIS betekent het langjarige stabiliteit. Maar de herinrichting oogstte ook onrust. Bereikt de minister met haar maatregel niet het omgekeerde van vernieuwing? Het Fonds Podiumkunsten is er juist voor de experimentele voedingsbodem van de Nederlandse podiumkunst. Daarin wil je niet snijden. Zeker niet nu sector én aanbod toch al onder druk komen te staan door de Fair Practice Code, die eerlijke betaling van kunstenaars afdwingt maar de rekening goeddeels bij de kunstinstellingen zelf neerlegt.

Voor hun aanvragen hebben alle instellingen zich ook voor het eerst rekenschap moeten geven van de nieuwe Code Diversiteit & Inclusie. Die wil „ruimte maken voor nieuwe verhalen, kansen bieden, inclusief leren, denken en doen.” Voor diep in de West-Europese traditie gewortelde instellingen als een kamerkoor of een barokorkest is dat een uitdaging. Maar nieuwe samenwerkingsverbanden kunnen ook leiden tot een bredere blik en ongehoorde klanken: een humuslaag voor een bloeiende, diversere kunstensector in de toekomst.

De scheidend directeur van de VandenEnde Foundation, Ryclef Rienstra, sprak zich afgelopen week in NRC verbaasd uit over het gebrek aan statuur van het onderwerp cultuur binnen de Nederlandse politiek. Van een land met elf miljoen cultuurbeoefenaars verwacht hij beter. Bij de VVD, partij van de pianospelende en kunstminnende premier Mark Rutte, wordt het woordvoerderschap over cultuur doorgegeven met een omloopsnelheid die inhoudelijke verdieping bemoeilijkt. De huidige woordvoerder, Zohair el Yassini, pleitte voor het afdrukken van toegekende subsidiebedragen op theater- en concertkaartjes. Zijn voorganger, Thierry Aartsen, brak een lans voor amateurkunst in de regio. „In Den Haag lijkt het alsof alleen hoge cultuur bestaat, daar krijg ik jeuk van.” Waarom wel 7 miljoen euro naar het Concertgebouworkest, en niks naar het bloemencorso? Dat de Amsterdamse Kunstraad in zijn advies over het komend kunstenplan nu concreet opmerkt dat „het slechten van het onderscheid in waardering tussen hoge en lage cultuur” een „actiepunt” moet zijn, wortelt in die onvrede.

Natuurlijk moet kunst een verbindende en inspirerende kracht zijn – voor iedereen. Maar hoge kunst en volkscultuur laten zich lastig langs één meetlat leggen, hoe waardevol beide ook zijn. De beste kans op de beste kunst biedt een dialoog over de verdeling van subsidiestromen die wordt gevoerd met kennis van zaken én artistieke nieuwsgierigheid. Dat wil niet zeggen dat er helemaal geen paaltjes te slaan zijn. Kunst en entertainment zijn niet hetzelfde. Topkunst, waarmee je de bredere laag eronder inspireert en voedt, zal altijd veel overheidssteun nodig hebben om tot dat niveau te kunnen komen en om er te blijven. En hoewel discussies over de definities van kwaliteit en hoog versus laag gevoerd moeten blijven worden, zullen die zelden beslecht worden. Inspiratie en ontroering zijn nu eenmaal geen absolute parameters.