Opinie

Voltooid leven lijkt geen bruikbare route meer naar zachte dood

Levenseinde

Commentaar

Het onderzoek naar aard en omvang van de ‘voltooid leven’-problematiek dat deze week uitkwam, is mogelijk een keerpunt in het publieke debat over dit moeilijke thema. Het is het derde advies op rij dat kritische kanttekeningen plaatst bij deze door D66 en het burgerinitiatief Uit Vrije Wil bepleite vorm van stervenshulp. Die moet voor gezonde, maar levensmoede ouderen onder eigen regie een zachte dood wettelijk toegankelijk maken. De dood als eigen keuze, op een eigen moment, met professionele hulp.

In dit rapport wordt net als eerder door de Adviescommissie Schnabel de term ‘voltooid leven’ als ongeschikt, want te rooskleurig en ‘verdoezelend’ van de hand gewezen. Bovendien wordt in twijfel getrokken of er wel een groep bestaat voor wie ‘voltooid leven’ volgens deze nuchtere definitie een rol speelt. Uit empirisch bevolkingsonderzoek stelt de commissie vast dat de veronderstelde groep van 70+’ers die actief uit het leven wil stappen, daarin consequent is en tegelijk nergens aan lijdt, niet aangetroffen is. Anders gezegd, bij een doodswens speelt lijden altijd een rol. En als dat het geval is dan ligt de route naar euthanasie open, waarvan de reikwijdte immers nog altijd voor discussie vatbaar is. „Wat als ziekte wordt gezien, en wat niet, blijkt in zekere zin een arbitraire grens.”

Lees ook: Zeven vragen over voltooid leven, de wet en de middelen

Dat er een groep is die uit het leven wil stappen blijkt te kloppen, maar die is gevarieerd, jonger dan wellicht verwacht, sociaal en maatschappelijk nogal ongelijk samengesteld, niet altijd consequent in een doodswens en ook niet aan een leeftijd gebonden. Dertig procent van deze groep zegt al het hele leven een doodswens te hebben. Het gaat dan niet zozeer om voltooid leven, zegt dit onderzoek, maar eerder om een als ongewenst, onvervuld of overbodig ervaren bestaan. Dat sluit precies aan bij het KNMG-advies dat de groep ideële, oudere maar gezonde zelfbeschikkers als ‘zeer klein’ zag en vond dat aan ‘voltooid leven’ ten onrechte een positieve connotatie hing.

Dit is juist een tragische en zeer complexe problematiek. Het onderzoek dat het kabinet liet uitvoeren vult dat beeld verder in. Het gaat om zo’n tienduizend vooral 50+’ers die piekeren, zich eenzaam, overbodig of onvervuld voelen en het nut van het leven niet meer inzien. Tegelijk zijn deze gevoelens complex en inconsequent, althans gevoelig voor de conjunctuur van het menselijk bestaan. Deze mensen, zo zei de KNMG al eerder, „lijden aan het leven”. De wens om te sterven en om te leven wisselen elkaar af. Zij kunnen dus ook, waar CDA en ChristenUnie steeds het accent leggen, met sociale of medische hulp worden verzoend met hun bestaan.

Lees ook: Wat vinden gewone Nederlanders van de euthanasiepraktijk

Staan daarmee de ‘ideële zelfbeschikkers op leeftijd’ in de kou? Hun doodswens is immers vooral voorwaardelijk. Zij zien de mogelijkheid van stervenshulp als een waarborg, een troost, een optie, een middel voor ‘het moment dat’. Het is de paradox van de vrije wil: hou me vast want ik wil dood, maar als je me vasthoudt dan hoeft het nog niet.

Politiek zijn de kansen voor een wettelijk vrijwillig levenseinde wel gedaald. D66 belooft een wetsvoorstel in te dienen, wat te prijzen is, omdat het de gewenste route concreet maakt. Daarbij is vooral spannend hoe de partij de gewenste twee vormen van stervenshulp, de hoogdrempelige euthanasie en de stervenshulp op afroep van elkaar gaat onderscheiden. Maar vooralsnog lijkt voltooid leven geen bruikbare maatstaf, in vergelijking met uitzichtloos en ondraaglijk lijden.