Opinie

Ontruiming

Marcel van Roosmalen

Ik was met mijn broer terug in het huis, we vulden zwijgend dozen. We wroetten samen door vijftig jaar verzamelde troep. Hij, zeer slechtziend, deed de grote spullen, ik de rest. Overal briefjes, zelfs tussen haar ondergoed. Foto’s van vroeger, trommeltjes, dozen, vazen en foto’s. Niets van waarde, waarom had ze eigenlijk zoveel sloten op de deur?

In het verpleegtehuis een paar straten verderop zat wat er over was van mijn moeder.

Ze had niets, maar tegelijkertijd alles in de gaten.

„Ik doe toch niets fout?” had ze aan mijn broer gevraagd. „Ik luister toch goed? Zijn ze ontevreden? Waarom moet ik hier toch zijn? En hoe heet het waar ik straks weer naartoe moet?”

„Mook, mama.”

„Waarom moet ik toch naar Mook?”

De verhuizing is volgende week, ze mocht van de begeleiding niet meer naar haar eigen huis. Dat had na de laatste keer voor te veel onrust gezorgd.

„Welke spullen ik mee wil nemen? Alle spullen! Het zijn mijn spullen.”

Het selectieproces vorderde snel, maar het voelde slecht.

Onterend.

Ik ging ook maar even bij haar langs. Ik trof haar aan tafel met de groep, ze kregen eten. Mijn moeder wees naar een vrouw die met het hoofd naar voren geknakt slapend boven een bord hing.

„Dat is mevrouw Zwart, geef haar eens een hand.”

Mevrouw Zwart was een oude vriendin.

„Dat is mevrouw Zwart niet”, zei ik, „maar ze lijkt er wel op.”

„Ze slaapt”, zei mijn moeder. „Van enthousiasme, denk ik.”

De eerste maaltijden kwamen uit de magnetron. De verzorgster trok de plastic folie van een bak bami. „Ruik je het?” schreeuwde mijn moeder. „Ze hebben weer gekookt hoor.”

„De batterijen van haar gehoorapparaat zijn denk ik op”, zei ik tegen de verzorgster, „daarom praat ze zo hard”.

Een van de vrouwen schoof haar bord van zich af. „Ik heb genoeg geroken…”

Mijn moeder trok me aan de mouw, hardop roddelen.

„Zie je die ene?! Daar moet je voor oppassen.”

Daarna: „Wanneer gaan we weer naar huis?”

Ik zei dat we aan het inpakken waren en dat we sommige dingen ook niet inpakten omdat er in het nieuwe verzorgingstehuis weinig plaats was.

Ze sloeg me op de schouder.

„Goed zo, jongen! Goed zo!”

Daarna tegen de verzorgster, op een toon alsof ze toch haar zin had gekregen: „Hij pakt alles in. Alles!”

Bij het afscheid, tegen mij: „Als ik straks thuis ben gaan we in een kring zitten, en dan ga ik alles verdelen. Dan mag je als eerste kiezen.”

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.