Foto Bram Petraeus

Interview

‘Ik ben niet tekortgeschoten. Als coach ben je afhankelijk van de mensen om je heen’

Interview | Jaap Stam Vijf maanden hield Jaap Stam het vol als coach van Feyenoord. Wrok koestert hij niet, al kende hij wel eenzame momenten in Rotterdam. „Ik ben een doemdenker.”

Het is het ongedwongen bestaan van de trainer zonder baan. Straks, na het interview, gaat Jaap Stam lunchen met zijn vrouw. Daarna rijdt hij even langs de motorwinkel. „Ik heb twee motoren, waaronder een Harley. Ik ben een mooiweerrijder. Morgen ga ik met mijn zoons naar de voetbal. En ik sport drie keer in de week; hardlopen en soms ga ik naar de gym.”

Jaap Stam is al anderhalf uur aan het woord, in een café aan de Vecht in Dalfsen, niet ver van zijn huis. Hij praat makkelijk; over zijn afkomst, zijn omgang met kritiek, zijn relatie met echtgenote Ellis, zijn hoogtijdagen als voetballer en zijn teleurstellende maanden als coach van Feyenoord.

„Een doemdenker”, noemt hij zichzelf. Maar daar is op deze ochtend weinig van te merken.

In juni 2019 volgt Stam (47) Giovanni van Bronckhorst op als trainer van Feyenoord. Zijn moeder is twee dagen ervoor overleden, maar dat brengt hij niet naar buiten. „Ik zat in een rouwproces en stond voor de keus: stoppen of niet? Het voelde tegennatuurlijk, maar ik heb toch besloten gelijk te beginnen. Voetbal gaat altijd door.”

Wat zijn eerste maanden bij Feyenoord ook lastig maakt, is dat de club bestuurlijk een turbulente periode doormaakt. Technisch directeur Martin van Geel is al weg als Stam begint en kort erop vertrekt ook algemeen directeur Jan de Jong. Zij hebben hem aangesteld en met hen heeft hij afgesproken dat hij de tijd krijgt om te bouwen aan een nieuw team.

Stam voelt zich soms eenzaam in Rotterdam. „In het begin was er een periode dat ik dacht: wat gaan we allemaal doen, en met wie?” Hij vindt het prettig om te „sparren”, maar hij weet bij Feyenoord niet zo goed met wie.

Bepalende spelers zijn vertrokken en er is maar beperkt geld voor aankopen. Van hem wordt verwacht dat hij veel jeugdspelers inpast. Versterkingen komen wel, veelal transfervrij, maar zij zijn vaak nog niet fit.

Feyenoord zwalkt door de eredivisie en de Europa League. Stam slaapt er slecht van en is er thuis soms niet met zijn gedachten bij. Na de 4-0 nederlaag bij Ajax, eind oktober, stapt hij op. Feyenoord staat twaalfde op de ranglijst. Supporters bekogelen na die wedstrijd de spelersbus.

Volkskrant-columnist Paul Onkenhout schreef in het weekend voor uw vertrek: ‘Jaap Stam is nog geen trainer. Zijn opleiding is onvoltooid. Hij speelt een trainer. En hoe het precies moet, dat weet hij niet.’

Hij veert op. „Dat is de grootste bullshit. Dit stoort mij, omdat mensen niet weten waar ze over praten. En ook niet weten hoe ik werk en hoe ik met mensen omga. Ze vragen niet hoe het zit, plegen geen wederhoor. Eigenlijk zou ik hier niet op willen reageren, maar helaas heb je met dit soort meningen te maken.”

Het maakt u boos?

Hij knikt. „Deze man heeft geen verstand van voetbal, ik ken hem ook niet. Dat iemand dat soort dingen schrijft, vind ik heel apart.”

Maar we kunnen toch stellen dat uw trainersloopbaan niet erg crescendo verloopt?

„Met PEC Zwolle zijn we in 2012 naar de eredivisie gepromoveerd, toen was ik assistent. Bij Jong Ajax ben ik twee jaar trainer geweest. Bij Reading zijn we op een haar na gepromoveerd naar de Premier League [het jaar erop werd hij na een slechte reeks ontslagen]. PEC heb ik vorig jaar in de eredivisie gehouden. Bij Feyenoord lukte het niet, om allerlei redenen. Je kunt je afvragen of dat alles bij elkaar ‘niet goed’ is.”

Op welke punten bent u tekortgeschoten bij Feyenoord?

„Ik bén niet tekortgeschoten. Als coach ben je afhankelijk van de mensen om je heen, van wie je verwacht dat ze hun afspraken nakomen. En van de spelers. Ik dacht dat ik met een groep zou gaan werken die er direct stond. Dat was niet zo. Een ander zal zeggen: Dick [Advocaat, zijn opvolger bij Feyenoord] haalt allemaal punten, dus ze zijn wél goed genoeg. Maar hij heeft er ook profijt van dat spelers nu wel fit zijn. Zijn instapmoment was totaal anders.”

Feyenoord staat derde. Hoe kijkt u naar die opmars?

„Dat is hartstikke mooi voor ze. Alleen, hoe ze nu spelen is niet mijn soort voetbal. Ik wil het liefst hoog druk zetten, agressief vooruit. Nu zie je dat ze inzakken, op balverlies van de tegenstander wachten en dan naar voren gaan – een wezenlijk verschil.”

Onder Advocaat steekt de club wél miljoenen in een nieuwe spits.

Hij lacht. „Een half jaar te laat. Het zij zo. Ik kan mij daar wel druk om maken, maar dat heeft geen zin. Nu worden meerdere jeugdspelers verhuurd of teruggezet naar de opleiding omdat ze niet goed genoeg zijn. Toen ik begon werden zeven jongens nog goed genoeg bevonden voor het eerste elftal.”

Welke lessen heeft u getrokken uit uw periode bij Feyenoord?

„Dat ik kritischer moet zijn op het instapmoment. En dat ik vooraf een duidelijk beeld moet hebben van waar een club heen wil, hoe de lijnen lopen, met wie je gaat samenwerken, hoe die mensen over voetbal denken. Alleen dán weet je wat je kan verwachten.”

Bent u te naïef geweest?

„Misschien moet ik een volgende keer eisen dat afspraken op papier worden gezet, met een handtekening eronder. En dat als die afspraken niet nagekomen worden, het consequenties heeft.”

Stam groeide op in de protestantse gemeente Kampen, in een „no-nonsense gezin” met vier kinderen. Vader was timmerman, moeder huisvrouw. Hij speelde veel buiten „omdat moeders het huis schoon wilde houden” en hielp zijn vader met klusjes.

„Ik lijk best veel op mijn vader”, zegt hij. „Ik ben ook recht door zee, kan eigenwijs zijn en heb soms moeite toe te geven dat een ander gelijk heeft.”

Als hij over zijn jeugd praat, klinkt weemoed door. Ook zijn vader leeft niet meer – hij overleed in 2007, vlak voor Stam afscheid nam als voetballer bij Ajax – maar zijn drie zussen wonen nog altijd in of rond zijn geboortestad. En Ellis en hij ontmoetten elkaar in Kampen.

Aanvankelijk wilde hij iets met zijn handen gaan doen, maar naarmate hij zich meer als voetballer onderscheidde, raakte school op de achtergrond. Stam brak zijn mts-studie in Zwolle af, waar hij zich als elektricien in spe bekwaamde in het ontwerpen van elektrische installaties voor huizen. „Ik was niet als kind al bezig met profvoetballer worden”, zegt hij, „maar ik droomde er wel van”.

Was u als elektricien ook gelukkig geworden?

Hij buigt over tafel. „Véél gelukkiger. Nee, ik ben hartstikke gelukkig met mijn leven. Had me niets beters kunnen wensen. Maar als elektricien was ik vast ook heel gelukkig geweest. Nu ik weg ben bij Feyenoord merk ik dat ik makkelijk kan terugschakelen naar het leven uit mijn jeugd.”

Foto Bram Petraeus

Welk wereldbeeld kreeg u als kind mee?

„We waren van huis uit best wereldvreemd. We gingen niet naar het buitenland op vakantie, daar was geen geld voor. We zaten op de camping tien kilometer buiten Kampen. En het verst waar we ooit geweest zijn is Zeeland. Van wat er in de wereld gebeurde kreeg ik niet zo veel mee. Wel wat er in Kampen gebeurde. Ik had geen uitgesproken mening als jong ventje. Trad niet graag op de voorgrond.”

Is Ellis uw jeugdliefde?

„Ja, we kregen verkering toen we zestien waren. Ik speelde in het eerste elftal van DOS Kampen, mijn hele carrière is ze met me mee gegroeid. Ik vind dat prettig, want zo weet ik dat ze bij mij is om wie ik ben, niet om wat ik heb bereikt. Ze is een enorme steun voor mij, thuis regelt ze alles, ook in onze jaren in het buitenland. Daardoor kon ik ook vrijer in mijn hoofd zijn.”

Jullie karakters verschillen nogal.

„Ja, waar ik altijd van het negatieve uitga, is zij heel positief. Ellis heeft me vaak uit situaties weten te trekken.”

Dat doemdenken, heeft dat met uw opvoeding te maken?

„Waarschijnlijk wel. Wij spraken thuis vroeger weinig over serieuze dingen. Ja, over wat er op tv kwam. Maar mezelf uiten, dat deed ik niet zo snel. Voor mijn vrouw was dat juist heel gewoon. ‘Wat is er?’, vraagt ze vaak. Aan mijn gezicht kan ze aflezen dat er iets aan de hand is.”

Zat dat doemdenken u in de weg als voetballer?

„Ik wilde mezelf altijd bewijzen en was bang om fouten te maken. En omdat ik niet zo snel het gesprek aanging, konden dingen lang voortsukkelen. Zo heb ik er lang over gedaan om mijn voetbalcarrière af te sluiten. Ik had het moeilijk bij Ajax, fysiek ging het eigenlijk niet meer. Waar een ander het direct op tafel zou gooien, bleef ik piekeren. Kan ik dat wel zeggen? Belast ik een ander er niet mee? Heeft het zin?”

U heeft wel eens gezegd dat uw tijd bij DOS Kampen en Zwolle het leukst was.

„Omdat je niks moet. Ik kon fouten maken zonder grote gevolgen. Daarna drink je wat en heb je lol. Ik was nog onbevangen, genoot echt van het voetbal. Toen het mijn vak werd, legde ik mezelf steeds meer druk op. Ik concentreerde me op de fouten, dacht bij verlies dat het aan mij lag. Alles leed eronder, ook mijn gezin. Ik heb te weinig genoten van mijn voetbalcarrière. Omdat ik almaar bezig was met presteren. ”

Binnen drie jaar ging u van Cambuur via Willem II naar PSV en uiteindelijk Manchester United. Dat moet een enorme verandering zijn geweest.

„Ik zat in een snelkookpan, werd geleefd. Kreeg met een andere taal en leefstijl te maken. Ik was op dat moment de duurste verdediger van de wereld. De hele wereld volgde me.”

Was u gevoelig voor kritiek?

„Geen voetballer is níét gevoelig voor kritiek. En als ze dat beweren, is het echt gelul. Het eerste wat spelers doen als de VI uitkomt, is kijken wat voor cijfer ze die week hebben gekregen. Ik was misschien wel extra gevoelig omdat ik als kind niets gewend was. Ik kreeg een uitbrander als ik slechte cijfers haalde, maar dat was het wel zo’n beetje. Nu werd er van alles over me gezegd en geschreven.”

Bij elke nieuwe club kreeg u te maken met mensen die zich afvroegen of u het wel waar zou maken.

„Misschien komt het door mijn geboortestreek en opleiding. Het was altijd ‘Jaap Stam uit Kampen’. Alsof je als Kampenaar nooit betaald voetballer kan worden.”

Frustrerend?

„Ik heb het altijd kortzichtig gevonden. Het zorgde ervoor dat ik mij nóg meer wilde bewijzen.”

U bent een gevoelsmens, terwijl u stoïcijns overkomt.

„Mensen associëren mijn uiterlijk met een bepaalde manier van leven, met een bepaald karakter. Ze denken dat ik kaal ben om te intimideren. Terwijl het daar niets mee te maken heeft. Mijn blonde lokken verdwenen, het zag er op het laatst gewoon niet meer uit. En ik hield als verdediger van hard spel, dan denken mensen: die kan verder niet veel. Terwijl ik ben opgegroeid met de Hollandse School.”

In de biografie ‘Hard tegen Hard’ (2001) staat dat u er moeite mee had dat u publiek bezit was.

„Daar heb ik nog steeds moeite mee. Als je in de top van het voetbalwereldje zit, wil iedereen wat van je. Oók als je met je gezin op pad bent. Mensen hebben geen respect voor privacy. Ze willen een foto of handtekening en als ik weiger, ben ik een lul.”

De voetbalwereld staat ver af van de geborgen en pretentieloze omgeving waarin u opgroeide. Botste dat?

„Vooral in het begin van mijn carrière. Maar ik kreeg er ook veel voor terug. Ik wilde mezelf ontwikkelen – als mens en als sporter. Van mijn ouders heb ik veel meegekregen, maar niet wat zich in de wereld afspeelt. Dankzij het voetbal ontdekte ik andere culturen en talen. Ik werd minder bleu.”

Hij vertelt dat hij genoeg hobby’s heeft: koken, vissen, tennissen, kunstschilderen. Nee, hij heeft geen schilderijen van zichzelf aan de muur hangen thuis, daarvoor zijn ze „niet waardig genoeg”. Voorlopig blijft zijn werk in de kelder staan. „Terwijl een ander ze misschien wel mooi kan vinden hè, dat weet je niet.”

Heeft u overwogen de voetbalwereld achter u te laten toen u in 2007 stopte als speler?

Er valt een korte stilte. „Ja. Ik hield ervan het maximale uit mezelf te halen, maar ik zag ook hoe mensen veranderden door het voetbal en niet altijd in positieve zin. De status en het werken in het wereldje is voor velen van groot belang. Dat heb ik absoluut niet, omdat ik weet dat het wereldje niet zo veel voorstelt.”

Maar u keerde terug, als coach, terwijl u zei dat u dat nooit wilde worden.

„Omdat ik bij mijn trainers zag hoe die eronder leden. Dat wilde ik niet. Maar PEC vroeg [in 2009] of ik wilde helpen, een paar middagen in de week. Dan groei je er toch in. Het ontwikkelen van spelers en een team vind ik mooi.”

Heeft Feyenoord met u ook een kans gemist als trainer?

„Uiteindelijk wel. Maar het is niet zo dat ik wrok heb richting Feyenoord, helemaal niet. Dingen lopen nu eenmaal zo. En soms moet je gewoon op je bek gaan.”

Hij staat open voor een nieuwe club, bij voorkeur in het buitenland – een middenmoter in Nederland ziet hij niet zitten. Engeland zou hij mooi vinden, vanwege de beleving daar, maar een club in Italië of Amerika zou ook kunnen.

Jaap Stam zet een pet op en loopt naar de uitgang, waar de fotograaf op hem wacht. Dan poseert hij op een muurtje langs de Vecht, in de houding die van hem gewenst wordt: een fiere man, blik op oneindig.