Opinie

De dood is abstract, tot hij zich aandient

Marjoleine de Vos

Het is een wreed toeval dat juist in de week waarin de bevrijding van Auschwitz herdacht werd, waarin de aandacht uitgaat naar mensen die het kamp niet of juist wel overleefden, er gesproken wordt over de onwil van een deel van de 55+’ers om nog verder te leven. Ik bedoel niet dat ze dat niet mogen denken. In zijn wereldberoemde boek De zin van het bestaan (1945) schreef psychiater Viktor Frankl, Holocaustoverlever, al over het belangrijkste bij de wil tot leven: dat er iets is om voor te leven. Een verlangen, een doel, een liefde, dat houdt de mensen overeind.

Niet altijd natuurlijk. Maar toch, misschien hebben veel mensen zoiets niet of niet meer als ze oud zijn. Wat dat betreft is 55+ een heel rare grens, dat is helemaal niet oud bij een pensioengerechtigde leeftijd van 67 en een gemiddelde levensduur van 83,3 voor vrouwen en 80,2 jaar voor mannen.

Els van Wijngaarden die onderzoek deed naar de 55+’ers met een doodswens, schreef dat 30 procent van hen zei dat ze dit verlangen om te sterven al hun hele leven hadden. Dat is dus een andere groep dan de mensen die zeggen dat hun leven voltooid is, en dat is weer een andere groep dan de eenzamen, de mensen met geldzorgen, de mensen die zo veel problemen hebben dat ze geen uitweg zien. Eigenlijk, zegt Van Wijngaarden, is het erg moeilijk om er zo in het algemeen over te spreken. En wat haar ook opviel, vertelde ze in een interview in Trouw, is het grote verschil tussen het gemak waarmee we als samenleving praten over het levenseinde, en de moeite die we ermee hebben als het dichtbij komt en de eigen moeder zegt: ik hoef niet meer.

In NRC zei een Surinaamse vrouw onlangs dat ze vond dat Nederlanders zo ontzaglijk veel over de dood spraken. Zij deed dat niet. „Het komt gewoon als God het wil.”

Ja, Nederlanders spreken heel veel over de dood, maar precies zoals Van Wijngaarden zegt: in abstracte, politieke zin. Hoe moeilijk is het niet om écht over de dood te praten, hoe moeilijk is dat al niet als iemand weet te zullen gaan sterven aan zijn of haar ziekte, vrienden en geliefden weten het ook – dan nóg snijd je het niet makkelijk aan. Intieme gedachten worden niet zomaar uitgesproken. „Is er een laatste uitzicht?” vroeg een nog altijd innig gemiste vriend zich af in een gedicht, wetende dat hij dat binnenkort zou weten.

Het opgewonden praten over het dood mogen willen, heeft zo weinig te maken met wat er gebeurt als iemand dood gaat, dood ís.

Het valt niet echt mee om het werkelijk over de doden te hebben, niet omdat het te pijnlijk is, maar omdat het na een poosje niet meer zo duidelijk is hoe over ze te praten. De voornaamste herinneringen zijn opgehaald en zijn bezig te stollen tot verhalen en foto’s waar het leven vaak wel uit is. Dan blijft het bij zinnetjes als: T. gebruikte dat woord heel graag; dat was nog met R.; E. moest daar altijd om lachen. Herdenken is een tamelijk eenzame aangelegenheid. Ieder van de nabestaanden voelt voor zichzelf het gruwelijke gat dat niet-meer-bestaan is.

Hoe kunnen we over dit hele complex zo makkelijk en zo strijdbaar spreken? Els van Wijngaarden houdt het heel wat rustiger: „Als mensen zo’n wens hebben, moeten we ze er niet gelijk op wijzen dat de zon nog schijnt. Of juist dat ze euthanasie moeten bespreken met een dokter. Dan moeten we zeggen: ga zitten, vertel.” Over het leven praten dus, met al zijn ingewikkeldheden.

Marjoleine de Vos is redacteur van NRC.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.