Reportage

Klara hoort bij de top-100 van Amsterdamse verwarde personen

Verward op straat In haar slechtste jaar ontvluchtte de 52-jarige Klara 101 keer haar huis. Eenmaal buiten verwondt ze zichzelf. Achteraf weet Klara zelden wat er is gebeurd: „Het grootste deel is een zwart gat.”

Illustratie XF&M

Vorig jaar was een goed jaar voor Klara. Ze is slechts tien keer van de straat geplukt door de politie. In haar slechtste jaar was ze 101 keer zo verward dat ze haar huis ontvluchtte. Ze heeft het nauwgezet bijgehouden.

Een incident in november was wel ernstig. Klara was in Den Bosch beland – „ik weet niet meer hoe ik daar kwam” – en had zichzelf zo erg gesneden dat ze een bloedtransfusie nodig had. Haar herstel duurde drie weken.

Ze is er niet trots op, vertelt Klara (52) – niet haar echte naam maar zo noemt ze zich wel vaak – in haar kleine Amsterdamse appartement. Ze wil niet met haar echte naam in de openbaarheid, omdat sommige mensen in haar nabije omgeving niet weten dat ze een psychiatrische stoornis heeft. Ze heeft tweehonderd ‘E-33’-meldingen op haar naam staan. Dat houdt in dat een passant 112 belt omdat zij zich ‘verward’ gedraagt. Ze hoort bij de top-100 van Amsterdamse verwarde personen, zegt ze. De meeste ambulancebroeders hebben haar in de wagen gehad. Ze wil graag – nu het íéts beter gaat – uitleggen hoe dat werkt, verward raken. En overlast veroorzaken. En nergens terecht kunnen.

Als Klara zich onveilig voelt, thuis, gaat ze naar buiten. Zwerven. Op straat, op het station, langs de snelweg. Het zijn vaak omstanders die de politie bellen. Niet omdat ze zich agressief gedraagt, ze doet vooral zichzelf pijn. „Ik verwond mezelf. En vaak ga ik liggen, gewoon een soort bewusteloos.” Achteraf weet ze zelden nog wat er is gebeurd. „Flarden wel, maar het grootste deel is een zwart gat.”

In haar handtas zit praktisch altijd haar ‘crisiskaart’, een soort paspoort voor ernstig zieke psychiatrisch patiënten. Daarop staat een lijst aanwijzingen hoe psychiatrisch verpleegkundigen of artsen met haar moeten omgaan. Onderstreept in het rood: „Geen pijnprikkels toepassen.” En: „Niet in de separeer. Naar mevrouw luisteren. Met respect behandelen. Ergens rustig laten zitten zodat ze weer bij kan komen.”

Lees ook: Agent: ‘Mensen in een psychose snappen hun wereld al niet, laat staan orders’

Haar baas weet van niets

Klara – stevige schoenen, kortgeknipt haar, ferme handdruk – is kunstenaar. Ze speelt in een orkest en kookt graag. Ze werkt drie dagen per week in dienst van een bedrijfje. Haar baas weet dat ze voor de helft is afgekeurd maar weet niet dat ze psychiatrisch patiënt is. Haar appartement is gezellig, met een grote kachel, hoge ramen, een entresol en Ottolenghi-kookboeken in de keuken. Maar ze lijdt al sinds haar kindertijd aan een dissociatieve identiteitsstoornis. Dat is, simpel gezegd, een manier van de hersens om een ernstig trauma draaglijk te maken: af en toe word je iemand anders. Dan vergeet je wie je bent en doe je dingen die je, op goeie dagen, nooit zou doen.

Klara zocht nooit hulp, tot 2000. Toen besloot ze voortaan in elk geval haar zelfaangerichte verwondingen te laten behandelen op de spoedeisende hulp. Maar op een gegeven moment, na acht jaar, trok de spoedeisende hulp aan de bel bij de geestelijke gezondheidszorg. Genoeg is genoeg, zeiden ze, deze vrouw heeft een psychiater nodig.

Dat ze „anders is” weet ze van jongs af aan, zegt Klara. Kinderen op school vonden haar „raar” en vanaf haar tiende heeft ze suïcidale neigingen. Eigenlijk, zegt ze, is het een wonder dat ze nog leeft. Maar ze hecht genoeg aan haar gezonde leven om dat vast te houden. Er zijn steeds meer goeie dagen.

Sinds 2008 wordt ze begeleid door de geestelijke gezondheidszorg. Maar men vindt haar lastig, vertelt ze met een glimlach. Ze is intelligent en koppig. Klara heeft niets met de eufemistische termen die worden gebruikt in de ggz, zoals ‘cliënt’ in plaats van ‘patiënt’. Ze heeft ook geen behoefte om ‘stigma’s’ rond psychiatrie te doorbreken. Die stigma’s zijn levensgroot, zegt ze, en ze wil zelf ook niet dat men weet dat ze patiënt is.

Lees ook over de omgang van hulpverleners in de ggz met hun werk

Bed in een bijgebouw

Het beste werkte voor Klara de ‘bed op recept’-regeling in het toenmalige Amsterdam Medisch Centrum (AMC), tegenwoordig Amsterdam UMC. Daar mocht ze zo vaak gebruik van maken als ze wilde. Het idee erachter was simpel: elke keer als ze zich thuis onveilig voelde, een gevoel dat met name opspeelde als ze gestresst was, belde ze. Na een kort bezoekje aan een psychiater daar kreeg ze een bed toegewezen in een bijgebouw. Een „rustgevende, overzichtelijke” ruimte: een lange rechte gang die leidde naar een slaapkamer met paarse muren. Het fijne was, zegt ze, dat ze ‘s ochtends weer fit en helder was. „Ik kon gelijk door naar mijn werk.”

Talrijke keren sliep ze daar. Ze pakt een blaadje erbij waarop ze het aantal nachten heeft bijgehouden: 18 keer in 2011, 83 keer een jaar later, 101 keer in 2013. Dat was het moment waarop de psychiater tegen haar zei: jij bent wel heel vaak hier. „Alsof ik er misbruik van maakte”, zegt ze geïrriteerd. „Ik wilde helemaal niet in dat bed daar slapen, met die zilvervisjes en dat vieze eten.” Een paar maanden later kon ze er niet meer terecht. Een klachtencommissie gaf haar gelijk. Maar in 2015 schrapte het ziekenhuis de hele bed-op-recept-regeling. „Ik zeg niet dat ik helemaal nooit meer zwierf, maar het was wel een hulpmiddel en zorgde dat ik mezelf minder beschadigde.”

Nu is ze één van de ‘verwarde personen’, waar de politie afgelopen jaar ruim 96.000 keer voor is gebeld. Twee keer zo vaak als in 2011.

Ze heeft nu wel „eindelijk” een goeie therapeut met wie ze wekelijks praat. En een regeling met één Amsterdamse psychiater en één psychiatrisch verpleegkundige, die haar al jaren kennen, en die ze mag bellen of appen wanneer ze zich beroerd voelt.