Reportage

Eén recht stuk en weg is Van der Poel

WK veldrijden Voor de start wisten de Belgen al dat ze geen kans hadden tegen Mathieu van der Poel, die in Zwitserland zijn derde wereldtitel won.

Mathieu van der Poel, even oppermachtigbij het WK, als tijdens het hele seizoen.
Mathieu van der Poel, even oppermachtigbij het WK, als tijdens het hele seizoen. Foto Gian Ehrenzeller/EPA

Daar zitten ze, vrijdagochtend om kwart voor negen in hotel Sorell Arte in Spreitenbach, op een steenworp van het WK-parcours. De sporen van de nacht zijn nog op het gezicht te lezen, het ontbijt is net weggewerkt. Zeven Vlaamse veldrijders met dezelfde opgeschoren haardracht, op een rij achter een bureau, koesteren tijdens een persbijeenkomst de hoop op een klein wonder. Dat behoren ze te zeggen, maar ze weten heus beter. Ze staan voor de zware taak om Mathieu van der Poel, ook in de jaren negentig geboren en zo veel beter dan zij, over twee dagen van zijn derde wereldtitel veldrijden af te houden. Hoe gaan ze dat aanpakken?

De meesten zuchten alvorens ze spreken. „We moeten hopen dat hij een slechte dag heeft”, zegt Eli Iserbyt, de blonde piekharen warrig op zijn schedel. Laurens Sweeck speelt een mentaal spel: „Mathieu heeft niets te verliezen, wij alles te winnen.” Hij gelooft half wat hij zegt, maar twee ogen twinkelen.

Toon Aerts weet dat het kan. Die lange, dunne crosser uit Malle was dit seizoen de enige die Van der Poel de baas was, in de klei van Ronse, in Vlaanderen. Het donderde niet dat de wereldkampioen toen net terugkwam van een zware trainingsstage, winnen is winnen. En Aerts kreeg er vleugels van.

Modderfestijn

Later duelleerde Aerts met Van der Poel bij de wereldbekerwedstrijd van Namen tot in de laatste ronde. Toen ging hij onderuit, en brak hij vier ribben. Maar trots was Aerts op zijn tweede plek, vooral door de manier waarop Van der Poel over de finish kwam – huilend van blijdschap, Aerts had de grootheid bijna tot wanhoop gedreven.

Ook dat was in de zuigende bagger geweest. Aerts heeft dat graag, hij kan zijn loopvermogen inzetten als het fietsend niet meer gaat. En wat was nou zo mooi: zondag zou het een modderfestijn worden. Dus stond hij zichzelf toe te hopen. „Het lijkt onrealistisch”, zei hij. „Maar je weet nooit, het blijft veldrijden, hè.”

Hij is het WK van Luxemburg in 2017 niet vergeten, de editie die Van der Poel in de blubber verloor door lekke banden. „Vroeg of laat krijg ik een kans”, zei Aerts, waarna hij naar het parcours trok om de bochten, de bruggen en de kuilen uit zijn hoofd te leren.

Dat vond Van der Poel dan weer niet nodig. Zo vroeg al verkennen achtte hij zinloos, want vrijdag was het warm en droog, zondag koud en nat. Grasvelden zouden modderpoelen worden, en dat bleek ook zo.

En dus slofte hij, op zijn slippertjes, tien kilometer verderop door de gangen van Hotel Illuster. Een beetje loom want relaxed, in de wetenschap dat zijn vorm goed was. Tijdens een training achter de brommer had hij gezien welke snelheden hij ontwikkelde en bij welke hartslag. Zijn entourage sprak van een „bijzondere ervaring” om dat te mogen meemaken. Hij was klaar voor het WK, en dat had ook de Belgische bondscoach Sven Vanthourenhout gezien: „Er valt waarschijnlijk weinig aan hem te doen. We gaan ervan uit dat hij wint.”

In zekere zin kon je stellen dat de meeste Belgen zich vrijdag, nog voor de koers, al gewonnen gaven.

Twee dagen later werd zichtbaar waarom. Mathieu van der Poel sprintte na het startschot iedereen op het eerste rechte stuk uit het wiel, en soleerde met een groteske overmacht naar zijn derde regenboogtrui. Zijn voorsprong op nummer twee Thomas Pidcock uit Groot-Brittannië was bijna anderhalve minuut. Van der Poel was zondag de beste versie van zichzelf geweest, hij kon met een tevreden gemoed op wintersportvakantie.

Luchtspiegeling

Toon Aerts werd derde, en vertelde na afloop, de drek nog in zijn ooghoeken, dat hij in de eerste meters wist dat de titel een luchtspiegeling bleef. Zijn tante Lies en ome Ben, die met zelfgefabriceerde hoeden, vervaardigd uit wielen en banden, op hun hoofd hun neefje langs de kant stonden toe te schreeuwen, vonden berusting in de vaststelling: „Het is een beest, d’n Mathieu.” Voor zo’n mens konden ze alleen maar bewondering hebben.

Ook wetende dat, hoewel het Wilhelmus klonk, het beest ook een beetje van België is. Hij woont er al zijn hele leven, en werd er ook geboren.