Opinie

Twintig jaar later weten we nog niet wat we verwachten van ‘de Nederlander’

Multiculturele samenleving

Commentaar

‘Een samenleving die zichzelf verloochent heeft nieuwkomers niets te bieden”, schreef Paul Scheffer op 29 januari 2000 in deze krant. Hij problematiseerde het Nederlandse gebrek aan nationaal besef en nationale trots: volgens hem heerste te veel „het postmoderne geschiedbeeld waarin elk ‘wij’ onmiddellijk verdacht is.” Dit werkte niet uitnodigend, aldus Scheffer.

We zijn nu twintig jaar verder – wat is er op dit gebied sindsdien veranderd?

Nogal veel, als je kijkt naar onze houding ten opzichte van multiculturalisme en de nationale identiteit. Het ‘wij’ is in 2020 niet meer verdacht, integendeel: juist wie dat wij ontkent, wordt als verdacht behandeld. Denk aan Máxima, die werd weggehoond toen ze in 2007 stelde dat dé Nederlander niet bestaat.

De draai van natievrees naar natieliefde is begin deze eeuw vlug gemaakt. In de woorden van historicus James Kennedy, die in 2010 terugblikte op deze ommezwaai: „Een zelfverzekerde, zelfbewuste, tolerante en multiculturele samenleving met weinig interesse in openlijke morele of historische reflectie, is getransformeerd in een onzekere maatschappij met meer behoefte aan duidelijkheid, handhaving en morele waakzaamheid.” Hij zag hierin een manifestatie van de Nederlandse consensuscultuur: daarin is zo nu en dan sprake van een „beslissende, collectieve breuk met het verleden, waarin zelfbewuste verdedigers van het ancien régime moeilijk te vinden zijn en de nieuwe dogma’s met missionair elan worden verkondigd.”

Concreet kwam deze breuk tot uiting in een hernieuwde waardering voor de Nederlandse cultuur. In 2004 schafte het kabinet Balkenende II het gesubsidieerde onderwijs in de eigen taal en cultuur af. „Prioriteit moet worden gegeven aan het leren van het Nederlands”, stond al in het regeerakkoord van Balkenende I. Aan statushouders wordt sinds 2007 de eis gesteld dat zij de Nederlandse taal leren en een inburgeringsexamen doen. In 2006 presenteerde een commissie in opdracht van het ministerie van OCW een Canon van Nederland. En hoewel de commissie zelf waarschuwde voor het gevaar „canon en identiteit te doen versmelten”, werd de canon in het publieke debat wel degelijk opgevat als een bouwsteen voor zo’n identiteit.

Een andere vraag is of het debat over wie wij zijn in die twintig jaar verder is gekomen. Hierop is het antwoord minder eenduidig. Er is veel gepraat, dat zeker. Maar het debat was vaak een herhaling van zetten, waarbij zogenaamde heilige huisjes steeds opnieuw werden gesloopt.

Op zich is herkauwen in zo’n debat begrijpelijk. De vraag naar wat ons bindt is immers niet makkelijk beantwoord. Als toonbeeld van de Nederlandse identiteit noemt de ene politicus universele waarden als de gelijkheid van man en vrouw, terwijl de ander komt met culturele eigenschappen als ‘hamburgers laten aanbakken op de buurtbarbecue’ (Halbe Zijlstra). De achterliggende kwestie is: hoe ver ingevuld moet het Nederlandse burgerschap zijn? Willen we alleen dat ingezetenen zich aan de wet houden, moeten ze ook participeren in de democratie, of verlangen we daar bovenop nog dat ze zich identificeren met Nederlandse gewoontes of zelfs actief uiting geven aan hun trots erop? Zulke fundamentele vragen raken te vaak uit zicht.

Misschien is juist het ongemak met een van bovenaf opgelegde identiteit (denk aan de honende reacties op het Nederlandse vlaggetje in de Tweede Kamer) tekenend voor Nederland. Van oudsher ligt bij ons geen verheven ideaal ten grondslag aan ons staatsburgerschap, zoals bijvoorbeeld bij de Fransen en de Amerikanen.

Toch is Nederland geen land zonder eigenschappen. Nog los van de democratische rechtsstaat, die we met veel andere landen delen, zijn er specifieke eigenschappen waarmee wij ons onderscheiden. Ter inspiratie kan een rapport dienen dat het SCP afgelopen juni uitbracht. Hierin besteedde het planbureau onder meer aandacht aan ‘de Nederlandse volksaard’: door de eeuwen heen hebben wij onszelf getypeerd als onder andere vrijheidsgezind, tolerant en individualistisch. Interessant was het hoofdstuk over de buitenstaanderblik op Nederland: volgens expats zijn wij praktisch, nuchter, pragmatisch, direct, vlijtig en niet te ambitieus.

Deze eigenschappen zitten niet in het DNA van de traditionele Nederlanders, maar zijn cultureel bepaald en kunnen gedeeld worden door nieuwkomers. Zoals wijlen Jules Deelder over zijn stadgenoten constateerde: „Ook onze Marokkanen hebben een hekel aan Amsterdam – nou is dat integratie of niet?”