Opinie

Scheffers dramaturgie zette de toon voor generaties columnisten en politici

De ombudsman

Twintig jaar later. Op de middelbare school kreeg ik die titel onder ogen van Alexandre Dumas’ reprise van De drie musketiers, een vervolg dat verscheen in 1845 als voorloper van alle Hollywood- en Netflix-sequels. Hoe was het nu met de held d’Artagnan – en wat leek het láng, twintig jaar!

Inmiddels is het ook alweer twintig jaar geleden dat Het multiculturele drama verscheen – en wat lijkt het kort, twintig jaar.

Is er iets veranderd?

NRC herdacht het stuk van Paul Scheffer, dat op 29 januari 2000 verscheen, met een week van reportages (en een uitstekende podcast). Scheffer zelf blikte vier pagina’s lang terug op Scheffer: in zijn essay, dat over integratie ging, had hij migratie onderschat, schreef hij. Ook de Volkskrant besteedde ruim aandacht aan het jubileum, in Trouw werd dezelfde dag zijn echtgenote geïnterviewd.

Allemachtig. Je zou bijna uit puur enthousiasme het kabinet manen 29 januari uit te roepen tot een Nationale Feestdag. Met toespraken in de Ridderzaal en een podium op de Dam waar burgers zich kunnen laten knuffelen door, bijvoorbeeld, Zihni Özdil.

Alle gekheid op een stokje. Scheffers essay is zonder twijfel een van de meest aangehaalde NRC-stukken aller tijden en verdient na zoveel exegese ook evaluatie. Die leverde de krant – en herdenken is daarvoor niet het goede woord, want de stukken van Lamyae Aharouay, Mark Lievisse Adriaanse en Lotfi El Hamidi waren feitelijke en onderzoekende reportages die een mooi beeld gaven van de actuele multiculturele werkelijkheid.

De reacties van lezers op de reportages waren opmerkelijk kalm – ook een teken dat wat destijds furore maakte kennelijk conventional wisdom is geworden. Of, zoals Scheffer-critici zullen zeggen, dat we zover naar rechts zijn opgeschoven dat dit opstel nu leest als een bedachtzaam college.

Onder de reacties zag ik maar een enkele identitaire oprisping; een abonnee schreef dat hij geïnteresseerd was in de „ervaring” van twee van de auteurs – ja, de twee met on-Hollandse achternamen – maar hen ongeschikt vond als verslaggevers over dit onderwerp. Een reactie, vermoedt Aharouay, die Economie-redacteuren met een hypotheek die over hypotheken schrijven nooit krijgen.

Het idee voor de reeks – een andere lezersvraag – kwam niet van boven, maar werd op de werkvloer geboren in gesprekken tussen de auteurs. Een van hen was net in Rotterdam-Zuid gaan wonen en verbaasde zich over wat hij om zich heen zag. De anderen waren 10 en 14 toen Scheffers essay verscheen. Was het een idee de zaken na zoveel jaar weer in kaart te brengen? Dat dacht Scheffer inmiddels zelf ook; hij was al bezig met zijn eigen terugblik.

Ook past hier een kleine bijsluiter: ik heb bij de krant geregeld en goedgemutst met Scheffer gewerkt, al hoor ik onder de exegeten van zijn essay bij de sceptici. Althans, de tobberige, gedragen ‘burgemeesterstoon’, zoals het wel is genoemd, van zijn maatschappelijke diagnostiek had op mij eerder een deprimerend dan een mobiliserend effect.

Niet op iedereen. Scheffers essay past in een kleine rij essays uit NRC die een ommekeer in het publieke debat veroorzaakten of bezegelden. In 1991 was er het opiniestuk van Huib Drion over het levenseinde voor ouderen. Een jaar eerder was er het politieke J’accuse van de historicus Oerlemans tegen de ‘éénpartijstaat Nederland’, een aankondiging van de afkeer van het gedepolitiseerde ‘midden’ die nu te vinden is bij radicalen op rechts en links.

Dat Scheffer, die zich allengs meer met cijfers over migratie is gaan bezighouden, nog altijd politieke invloed heeft, blijkt uit de reportages – en trouwens ook uit een recent interview met minister Hugo de Jonge, die zijn demografische analyse navertelde.

Wanneer wordt een essay baanbrekend? In de woorden van de socioloog Willem Schinkel gaat het daarbij ook of vooral om „semantische revoluties”, om het agenderen van thema’s en het bepalen van de termen waarin het debat daarover wordt gevoerd.

Fortuyns aanval op Paars was zo’n interventie, die een radicale omslag teweegbracht in het collectieve zelfbeeld. De prestaties van technocratisch Paars, waar een paar jaar eerder nog over was gejubeld, werden met terugwerkende kracht puinhopen.

Opmerkelijk is ook dat destijds de bevingen die Scheffers stuk veroorzaakte, pas met enige vertraging werden gevoeld op de NRC-redactie. Oudgedienden die ik sprak zeggen zich te hebben verbaasd over de ophef, want dit was toch allemaal bekend? Hadden Frits Bolkestein (1992) – en vóór hem Drees junior (1970) – niet min of meer hetzelfde beweerd? Bij jongere NRC-musketiers die ik sprak doet zich iets vergelijkbaars voor: ook die vinden het essay nu veel minder heftig of polariserend dan ze dachten. Aharouay wijst erop dat Scheffer juist appelleert aan het linkse verheffingsideaal.

Dat was ook net het punt: dit essay kwam niet van rechts.

Auteur, toon en timing kunnen zo het verschil maken. Scheffers essay verscheen op een kantelmoment, toen de euforie over het post-ideologische poldermodel alom plaats begon te maken voor desillusie en depressie. De onrust over wachtlijsten in de zorg stak de kop op, die over integratie sluimerde op de achtergrond.

Kortom, Scheffer doorbrak een stilzwijgende consensus die al diepe scheuren vertoonde. Zijn interventie zette vervolgens de toon voor generaties commentatoren en politici. Het waardevolle van de nieuwe NRC-reportages en van zijn zelf-exegese is dat die laten zien dat de ‘multiculturele samenleving ’ geen kwestie is van Hosanna of Apocalyps, maar van een scala aan feiten, ervaringen en percepties, dat zich niet meer laat vangen in dramaturgie.

Reacties: ombudsman@nrc.nl

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.