Opinie

Toen zocht links het midden, nu is rechts aan zet

Politiek en economie Veertig jaar geleden gaf de politiek de ruimte aan bedrijven en bezuinigde de overheid. Nu moet er geïnvesteerd worden en de macht van grote bedrijven ingeperkt, schrijft .
Wim Kok, Bill Clinton, Tony Blair en Gerhard Schröder in 1999.
Wim Kok, Bill Clinton, Tony Blair en Gerhard Schröder in 1999. Foto Getty Images

Het is frappant hoe een mens in een werkzaam leven van ongeveer vijftig jaar van dichtbij mee kan maken hoe de oplossingen voor problemen in de jaren tachtig nu zelf zijn uitgegroeid tot nieuwe problemen.

We zijn het bijna alweer vergeten, maar in de vorige eeuw bestond een overdreven geloof in de van bovenaf gestuurde planeconomie. De verbeelding was aan de macht. Overheden intervenieerden massaal in markten, die daardoor steeds minder vrij werden. Ze kwamen in hun hoge verwachtingen hoe langer hoe meer bedrogen uit en van hun mooie plannen kwam weinig terecht. Integendeel, de werkloosheid liep hard op en ging gepaard met gevaarlijk stijgende tekorten op de overheidsbegroting. De publieke financiën raakten zwaar uit het lood. Begrotingsdiscipline, kostenverlagingen en besparingen waren de logische tegenreactie en het uiteindelijke politieke antwoord.

Nu, in de eenentwintigste eeuw, geven we als land juist eerder te weinig dan te veel uit. Met als gevolg mogelijk destabiliserende handelsoverschotten. Waar vier decennia terug onze overdadige sociale zekerheid op grote schaal oneigenlijk gebruikt of zelfs misbruikt werd, behandelt de overheid de burger inmiddels met zulk wantrouwen dat de gemeenschapszin wordt ondermijnd en dat schrijnende schandalen aan het licht komen. In de jaren negentig lag door de grote werkloosheid het motto ‘werk, werk en nog eens werk’ (kabinet-Kok I) voor de hand, terwijl nu, met de historisch lage werkloosheid, het probleem veeleer de kwaliteit en de zekerheid van banen is en dus investeringen vergen in onderwijs en bijscholing.

Kapitaal te dominant geworden

Ook in het bedrijfsleven moet het roer om. Veertig jaar geleden ging net als in de meeste landen in Nederland meer dan 90 procent van ons nationaal inkomen op aan lonen en salarissen. De kapitaalverschaffer kwam er uiterst bekaaid af en de gemiddelde ondernemer had geen of onvoldoende perspectief op rendement. Dit schreeuwde om bijstelling, zodat bedrijven weer winstgevend zouden worden en weer zouden willen investeren in werkgelegenheid. Deze bijstelling is er gekomen en we kunnen constateren dat die meer dan succesvol is verlopen.

Lees ook: Macht van megabedrijven kost welvaart

Kapitaalverschaffers hebben inmiddels hun aandeel in het nationaal inkomen meer dan royaal verdubbeld en tot boven de twintig procent zien stijgen. Ook de vruchten van de economisch groei zijn vooral bij hen terechtgekomen. Het grote arbeidspotentieel dat van loon en salaris afhankelijk is daarentegen, heeft van de groei de laatste jaren weinig gemerkt. Ons nationaal product steeg tussen 2002 en 2015 met 15 procent terwijl de besteedbare inkomens met een povere 2 procent vooruitgingen. Deels was dit overigens te wijten aan belasting- en premieverhogingen.

Worden die toegenomen winsten nu wel voldoende geherinvesteerd en ondersteunen ze een kwalitatief hoge werkgelegenheid voor ons toekomstige verdienvermogen? Daar is op zijn minst twijfel over. Zo bespeurt het IMF in een rapport bij de grootste duizend wereldbedrijven een soort renteniersmentaliteit die Nederlanders met historische kennis zal doen denken aan de jansaliegeest uit de negentiende eeuw. Vele wereldconcerns blijken de verleiding niet te kunnen weerstaan om wat achterover te leunen, want alleen al door hun omvang kunnen ze hogere marges afdwingen. Ze hebben monopolistische trekken gekregen en keren steeds meer uit aan kapitaalverschaffers, dikwijls via inkoop van eigen aandelen. Daardoor neemt hun ruimte voor herinvesteringen verder af. Dat staat haaks op de behoeften aan klimaatinvesteringen, waar bedrijven en overheden in deze tijd juist prioriteit aan moeten geven. Niet verbazingwekkend dat het IMF over een progressieve winstbelasting wil nadenken.

Nu tijd voor liberale moed

Het fenomeen van machtsconcentraties kan bovendien het hart van de vrijemarkteconomie, die immers op het principe van concurrentie berust, aantasten. Naast de bekende grote tech-bedrijven komen er vele nieuwe initiatieven en bedrijven op uit de zogenaamde platformeconomie. Bij voorkeur verschijnen die pas definitief op de markt wanneer zij verzekerd zijn, of op zijn minst uitzicht hebben op, een dominante of in ieder geval relatief onaantastbare marktpositie. Het zijn nieuwe ondernemingen zonder grenzen, die zich als nagenoeg stateloos aandienen en in de praktijk meestal ongrijpbaar blijken voor nationale overheden en hun belastingendiensten. Ten slotte zijn ook de vermogensverhoudingen, mede door deze ontwikkelingen, scheef gegroeid.

Terug naar de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw. Bij de linkse politieke partijen groeide het besef dat het evenwicht op de markt inderdaad zoek was, en dat aanpassing van hun klassieke gedachtegoed noodzakelijk was. Hun leiders verlieten extreme standpunten en leidden hun partijen voorzichtig meer naar het midden. Zo moderniseerde de Duitse SPD-bondskanselier Gerhard Schröder de sociale wetgeving, introduceerde Tony Blair van Labour zijn ‘derde weg’ in het Verenigd Koninkrijk en schudde in eigen land de PvdA onder Wim Koks leiding haar ideologische veren af.

Lees ook dit essay van Marike Stellinga: Het kapitalisme is kapot. Leve het kapitalisme

Het luidde een periode in van welvaartsgroei en gezonde werkgelegenheid. Er ontstond een nieuw verfrissend elan in de samenleving met positieve energie en verdraagzaamheid. Iedereen had er baat bij. Waarom zou zoiets niet weer kunnen? Maar net als toen is er moed voor nodig, nu van de liberale partijen.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.